Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/1.2
1.2 Oude wetgevingsinitiatieven
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
J.C. Voorduin, Geschiedenis en Beginselen der Nederlandsche Wetboeken, deel X, Robert Natan: Akademie-boekhandelaar, 1841.
J.C. Voorduin, Geschiedenis en Beginselen der Nederlandsche Wetboeken, deel X, Robert Natan: Akademie-boekhandelaar, 1841, p. 849-851.
J.C. Voorduin, Geschiedenis en Beginselen der Nederlandsche Wetboeken, deel X, Robert Natan: Akademie-boekhandelaar, 1841, p. 860 e.v. Op den Hooff merkte op “De Tweede Titel [tot invoering van een akkoord buiten faillissement] zeg ik, klinkt dus zacht, maar is inderdaad niet veel minder in deszelfs gevolgen, dan die van de failliet-verklaring.”
Handelingen der Ned. Jur. Verg. 1871, II blz. 173.
S.C.J.J. Kortmann en N.E.D. Faber (red.), Geschiedenis van de Faillissementswet. Heruitgave Geschiedenis van de wet op het Faillissement en de Surséance van Betaling, deel I, bewerkt door Mr. G.W. Baron van der Feltz, Haarlem 1896, W.E.J. Tjeenk Willink 1, p. 144 e.v.
Deeds of Arrangement Act art. 50/51 Vict. C. 57.
R.P.W. Frima, De homologatie van het onderhands akkoord, TVVS 1992, nr. 92/8, p. 191-196.
O. Couwenberg, Resolving Financial Distress in the Netherlands, diss. Groningen, 1997, p. 237.
Commissie Insolventierecht, Voorontwerp Insolventiewet, 21 november 2007, te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2007/11/21/voorstel-commissie-kortman-voorontwerp-insolventiewet (zie afdeling 7.1).
De gedachte van een pre-insolventieakkoord is bepaald niet nieuw. Reeds in 1835 werd een wetsvoorstel ingediend tot invoering van een titel in het Wetboek van Koophandel genaamd “Van Homologatie van Akkoord buiten Failliet-verklaring” dat, zoals de naam van de titel al aangeeft, voorzag in de invoering van een dwangakkoord buiten faillissement.1 Belangrijke redenen voor het wetsvoorstel waren volgens de Memorie van Toelichting dat met een akkoord buiten faillissement de formaliteiten van faillissement en de daarmee gepaard gaande kosten konden worden voorkomen, de schuldeisers mede hierdoor het vooruitzicht op een gunstiger akkoord zouden hebben, terwijl de schuldenaar het voordeel zou genieten om in het beheer van zijn zaken te blijven zonder dat de smet van faillissement op hem zou kleven.2 Dit wetsvoorstel werd in het kader van de behandeling verworpen. Naast de vrees voor misbruik was een belangrijke reden van kritiek dat de voorgestelde regeling met zoveel formaliteiten was omgeven en in zijn gevolgen materieel zo weinig verschilde van surseance of faillissement, dat deze ten opzichte van de situatie in faillissement weinig toegevoegde waarde had.3
De gedachte van een dwangakkoord buiten faillissement bleef niettemin steun genieten in de juridische gemeenschap. In een vergadering van de Nederlandse Juristen Vereniging in 1871 werd de vraag voorgelegd: “Is het wenschelijk de gelegenheid te openen voor gerechtelijke bekrachtiging van een onderhands akkoord buiten faillissement?” Deze vraag werd bevestigend beantwoord met 63 stemmen tegen 41.4
In 1893, een kleine 60 jaar na verwerping van het eerste wetsvoorstel uit 1835, heeft mr. J.A. Levy opnieuw een voorstel ingediend tot invoering van een pre-insolventie dwangakkoord wederom onder de titel “Van Homologatie van Akkoord buiten Faillietverklaring.”5 Dit voorstel was geënt op het eerdere voorstel uit 1835 waarbij de formaliteiten enigszins waren vereenvoudigd. Mr. Levy diende het voorstel eerst in als amendement en later in het jaar als separaat initiatiefwetsvoorstel. In de toelichting werd het voorstel onder meer onderbouwd met een verwijzing naar de Engelse regeling voor Deeds of Arrangements.6 Over dit initiatiefwetsvoorstel is uiteindelijk vanwege procedurele redenen en ontbinding van de Kamer inhoudelijk niet beraadslaagd.
In 1992 heeft Frima een pleidooi gehouden om alsnog een dwangakkoord buiten faillissement in te voeren. Hij schreef onder meer:
“In de praktijk blijkt behoefte te bestaan aan de mogelijkheid van de homologatie van een onderhands akkoord, d.w.z. een dwangakkoord dat tot stand komt terwijl er sprake is noch van faillissement noch van surséance van betaling. Het komt (…) bij herhaling voor dat een enkele schuldeiser dwars ligt, dan wel zich stil houdt. (…) In zo’n situatie bestaat er behoefte aan de mogelijkheid van een korte, snelle procedure die leidt tot homologatie van dat akkoord. De wetgever heeft verondersteld in deze behoefte te hebben voorzien door de mogelijkheid van een dwangakkoord, aangeboden bij het verzoekschrift tot verlening van surséance, (…) doch daarbij niet onderkend de negatieve effecten, welke een (voorlopig) verleende surséance van betaling met zich brengt.”7
Frima werkte zijn voorstel uit met concrete wetsartikelen en toelichting. De regeling die Frima voorstelde is op hoofdlijnen vergelijkbaar met de regeling van het surseance-akkoord, waarbij deze toepassing zou vinden buiten surseance of faillissement. Indiening van een verzoek tot homologatie zou verhaalsmaatregelen en faillissementsaanvragen van rechtswege schorsen. Er zou geen bewindvoerder worden benoemd. De schuldenaar zou volledig beheers- en beschikkingsbevoegd blijven. Wel zou er een “gecommitteerde” worden benoemd die tot taak zou hebben om te bemiddelen bij de onderhandelingen over het akkoord en de rechtbank over toelating tot de stemming en de homologatie te adviseren. Zoals het huidige surseance-akkoord, zou ook het pre-insolventieakkoord dat Frima voorstelde, slechts werking hebben tegen concurrente schuldeisers.
In 1997 heeft ook Couwenberg voor de invoering van een pre-insolventieakkoord gepleit.8 In 2007 heeft de Commissie Kortmann in haar Voorontwerp Insolventiewet de invoering van een akkoord buiten insolventie voorgesteld.9 Tot 2013 heeft de wetgever geen aanstalten gemaakt om aan de oproepen om een pre-insolventieakkoord in te voeren, gevolg te geven.