Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.12.7:9.12.7 Tijdsverloop
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.12.7
9.12.7 Tijdsverloop
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS599663:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
386. Het tijdsverloop tussen het moment waarop de noodzaak ontstaat tot het opslaan of doorgeven van informatie en de noodzaak tot raadpleging daarvan is ten eerste van belang in gevallen waarin de wetende functionaris niet meer werkzaam is bij de rechtspersoon, of niet meer in dezelfde functie. Naar Duits recht wordt de rechtspersoon in geval van kennisversplintering niet aangemerkt als wetend wanneer zoveel tijd is verstreken tussen het moment van kennisneming en het moment dat aanleiding bestaat de informatie te raadplegen, dat ook een natuurlijke persoon de informatie zou zijn vergeten.1 Deze regel is gebaseerd op het gelijkheidsargument. Zoals toegelicht in par. 4.2.5 acht ik dat geen sterk argument. Niettemin ligt het voor de hand om aan het tijdsverloop wel enig belang te hechten, maar dan vanwege de samenhang tussen deze factor en de voorzienbare relevantie van de informatie. Hoe groter de voorzienbare relevantie, des te langer mag van een organisatie worden verlangd dat zij de informatie beschikbaar houdt.
Het BGH achtte het tijdsverloop relevant in Schlachthaus en Altlasten (zie par. 9.6.3 resp. 9.6.4). In Nederland werd waarde gehecht aan het tijdsverloop in een uitspraak van de rechtbank Rotterdam in 2011. Lange tijd nadat een loods was gebouwd op een perceel grond dat was opgehoogd met hoogovenslakken, werd die grond door de eigenaar – een besloten vennootschap – verkocht. De grond bleek als gevolg van de slakken sterk verontreinigd. Toen de koper schadevergoeding vorderde, oordeelde de rechtbank dat de BV ten tijde van de verkoop niet meer op de hoogte kon worden geacht te zijn van de precieze aard en omvang van de verontreiniging:
“Dat de toenmalig directeur van [de BV] en toenmalige werknemers mogelijk wel eens, of wellicht zelfs veelvuldig, aanwezig zijn geweest bij de bouw van een loods op het verkochte en dat zij toen hebben kunnen constateren dat ophoogwerkzaamheden en verhardingswerkzaamheden met slakken plaatsvonden, betekent […] niet dat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst, tientallen jaren later, binnen [de BV] nog bekend was welke hoeveelheden slakken destijds bij […] ophoogwerkzaamheden zijn gebruikt en waar die slakken zich precies bevonden.”2
387. Wettelijke bewaartermijnen kunnen van invloed zijn op de toerekening van kennis. Betreft het informatie die typisch aanwezig is in administratie waarvoor een wettelijke bewaartermijn geldt, en is op het moment dat de bewaartermijn verstrijkt nog niet voldoende duidelijk dat die informatie relevant blijft voor toekomstige handelingen van de rechtspersoon, dan zal de rechtspersoon niet snel kunnen worden verweten dat hij na het verstrijken van die termijn niet meer over de informatie beschikt. De wederpartij zal mogelijk stellen dat de rechtspersoon in de relatie met haar geen beroep toekomt op de bewaartermijn. Het doel van de bewaartermijn (bijvoorbeeld: verantwoording afleggen aan de Belastingdienst) hoeft natuurlijk niets te maken te hebben met de relevantie van de informatie voor de te beoordelen zaak. Is op het moment van het verstrijken van de bewaartermijn nog onvoldoende duidelijk dat de informatie relevant is voor de relatie met de wederpartij, dan gaat dit argument naar mijn mening niet op. De rechtspersoon treft geen verwijt dat hij die informatie heeft vernietigd.
388. Tijdsverloop kan ook relevant zijn in gevallen waarin heel weinig tijd verstrijkt tussen de kennisneming en de handeling waarvoor die kennis relevant is. Zie daarover hetgeen ik schreef par. 7.8.3. Het organisatiebeginsel kan hier helpen bij de gedachtevorming: zou binnen een goed functionerende organisatie deze informatie reeds terecht zijn gekomen bij de handelende functionaris op het moment van zijn handelen, dan geldt de rechtspersoon als wetend.