Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.7.8.2
II.7.8.2 Overname positie financiële lessor of huurverkoper
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS494199:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 15 december 2005, zaak C-63/04, V-N 2005/61.19 (Centralan).
R.o. 66-67.
HvJ 5 februari 1981, zaak 154/80, BNB 1981/232 (Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats; m.nt. C.P. Tuk).
Van Kesteren heeft de vraag opgeworpen of de jurisprudentie met de Centralan-benadering de juiste kant op is gegaan: H.W.M. van Kesteren, ‘Het begrip “levering”’, WFR 2009/1332. Hij vat het arrest zo op, dat zowel de juridisch als economisch eigenaar betreffende hetzelfde goed de macht kunnen hebben als eigenaar te beschikken, en onderkent vervolgens een zekere spanning, omdat die macht niet tot een deel van het goed is beperkt.
In hoofdstuk 6 is besproken dat het in financiële lease geven of huurverkopen van een goed veelal twee prestaties onder bezwarende titel impliceert. De eerste prestatie betreft de levering van het betreffende goed in de zin van artikel 3, lid 1, onderdeel a of b, Wet OB 1968. De tweede prestatie betreft het verlenen van krediet. Hierin ligt besloten dat de betaling van de lease- of huurkooptermijnen deels het karakter heeft van aflossing van een schuld en deels van een betaling van rente. Privaatrechtelijk blijft de eigendom van het geleasete of huurverkochte goed bij de lessor respectievelijk de huurverkoper berusten totdat de afnemer een koopoptie uitoefent respectievelijk de laatste termijn betaalt. Aangenomen wordt dat de overdracht van de privaatrechtelijke eigendom aan de lessee of huurkoper niet (opnieuw) tot een levering van het goed in de zin van artikel 3, lid 1, onderdeel a, Wet OB 1968 leidt. Mijns inziens ligt hierin besloten dat de privaatrechtelijke eigendom die een financiële lessor of huurverkoper houdt, voor de Wet OB 1968 een schuldvordering met zekerheidsrecht is. De omzetbelastinggevolgen van de overdracht respectievelijk overname van de privaatrechtelijke eigendom door een opvolgende financier zijn daarom zoals hiervoor in paragraaf 7.5, 7.6 en 7.7 besproken. Dit betekent, onder meer, dat de overdracht geen belaste prestatie is. Naar mijn mening is dat ook wenselijk, omdat anders eenvoudig dubbele heffing kan ontstaan. Als de lessee dan wel huurkoper aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen, is de waarde van de privaatrechtelijke eigendom immers gelijk aan de contante waarde van de lease- of huurkooptermijnen die nog moeten worden voldaan. Juist over die termijnen is al omzetbelasting betaald vanwege de levering aan de lessee of huurkoper. Daar komt bij dat de koper van de privaatrechtelijke eigendom volledig van de lessee of huurkoper afhankelijk is of hij op enig moment ook feitelijke beschikkingsmacht over het goed kan verkrijgen. De lessee of huurkoper heeft immers steeds de mogelijkheid de privaatrechtelijke eigendom naar zich toe te trekken, simpelweg door de koopoptie uit te oefenen en/of door alle termijnen te voldoen.
Een gedachte is dat het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Centralan tot een andere uitleg noopt.1 Daarin is geoordeeld dat het in 999-jarige huur geven van een pand en het vervolgens aan een derde overdragen van de ‘residuele eigendom’, beide de levering van een goed kunnen zijn. Dit is gemotiveerd met een verwijzing naar de wijze waarop gezamenlijke eigendom in de diverse rechtsordes van de lidstaten wordt ingevuld.2 Verdedigd zou kunnen worden dat bij financiële lease en huurkoop in vergelijkbare zin als in de zaak Centralan gezamenlijke eigendom aan de orde is en dat daarom ook net als in die zaak de overdracht van de privaatrechtelijke eigendom bij financiële lease en huurkoop de levering van een goed is. Dat lijkt misschien redelijk, ware het niet dat de waarde van die eigendom vooral afhankelijk is van de lease- of huurkooptermijnen die nog moeten worden voldaan. Zoals hiervoor is uiteengezet kan daardoor dubbele heffing ontstaan. Precies op dit punt is dan ook sprake van een verschil met de situatie in de zaak Centralan. Daarin was de vergoeding voor het huurrecht ineens voldaan, voorafgaande aan de overdracht van de residuele eigendom. De vergoeding voor de residuele eigendom was daarom een fractie van de waarde van het pand. Om tot hetzelfde resultaat te komen bij de overdracht van privaatrechtelijke eigendom bij financiële lease of huurkoop, moet de waarde van de lease- of huurkooptermijnen uit de vergoeding voor de privaatrechtelijke eigendom worden geëlimineerd. Dit vereist schattingen die naar mijn mening onverenigbaar zijn met de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie over het subjectieve vergoedingsbegrip.3 Mijns inziens is de ‘Centralan-benadering’ daarom in beginsel niet toepasbaar in de context van financiële lease of huurkoop.4