Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.2.1
7.2.1 Soorten uiterste wilsbeschikkingen
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS377980:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Andere beschikkingen die in een uiterste wil kunnen worden opgenomen zijn het in het leven roepen van een stichting na dode (afdeling 4.5.4), tweetrapsmakingen (afdeling 4.5.5) de benoeming van een executeur (afdeling 4.5.6), het instellen van een bewind na dode (afdeling 4.5.7), de herroeping van een eerdere uiterste wilsbeschikking (art. 4:42 lid 3 en art. 4:111 tot 4:114 BW) en de regeling van inbreng van giften (art. 4:229 BW). Vgl. Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 217 (MvA II).
Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 717 (MvA).
Kamerstukken II, 1999-2000, 26822, nr. 3, p. 15; Handboek Erfrecht 2011, p. 143.
Handboek Erfrecht 2011, p. 451.
Verstappen 1996, p. 77-78.
Breemhaar 1992, p. 117; Handboek Erfrecht 2011, p. 108 en 145.
Handboek Erfrecht 2011, p. 145. Als legaat wordt ook aangemerkt een in een uiterste wil gedaan aanbod tot het aangaan van een overeenkomst, zie Kolkman 2006, p. 141.
Breemhaar 1992, p. 150; Asser/Perrick 2013 4/155; Handboek Erfrecht 2011, p. 150. Zie voor de interne verhouding met een niet met het legaat belaste erfgenaam Kolkman 2006, p. 336-338.
Art. 4:7 lid 1 en 2 jo. art. 4:120 lid 1 BW. Zie Rb. Gelderland 13 augustus 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:5298.
Kolkman 2006, p. 323; Handboek Erfrecht 2011, p. 146.
In één geval doorbreekt de wetgever deze paritas. In beginsel vindt evenredige vermindering plaats, maar vermindering van een verplichting uit legaat tot voldoening van een natuurlijke verbintenis van de erflater komt pas aan de orde na vermindering van de overige legaten, art. 4:121 lid 2 BW.
Art. 4:120 lid 2 en 3 BW. Naast vermindering is inkorting mogelijk, zijnde het gedeeltelijk ten laste van de legataris brengen van de vordering van de rechthebbende op een legitieme portie, zie art. 4:87 lid 2 BW.
P.C. van Es, ‘Enige opmerkingen over de vermindering en inkorting van legaten’, WPNR 6655 (2006), p. 148.
W.M. Kleijn, noot bij HR 7 maart 2003, NJ 2005/102. Zie ook Groene Serie Erfrecht, Art. 4:120 BW, aant. 1, P.J.F.M. Le Cat. Kolkman 2006, p. 323 zegt mijns inziens zuiverder dat legaten ‘gelijkenis vertonen’ met de achtergestelde vorderingen als bedoeld in art. 3:277 lid 2 BW.
Parl. Gesch. Inv. BW Boek 4, p. 2012 (NW 6).
Art. 4:216 BW; zie Asser/Perrick 4 2013/624.
Art. 4:87 lid 6 BW bevat een uitzondering.
P.C. van Es, ‘Vermindering van (quasi)legaten; een terrein vol voetangels en klemmen’, TE 2012/4, p. 72.
HR 17 januari 1964, NJ 1965/126 (Schellens/Schellens II).
HR 11 mei 1984, NJ 1985/374 (Verhoeven/Peters). Voor dit arrest bestond onduidelijkheid over de vraag of de legataris rechthebbende werd door het legaat, of dat nog levering nodig was. Zie voor een overzicht van de discussie Jansen en Jansen 2013, p. 21-24.
De wetgever overwoog geen reden te zien om de legataris anders te behandelen dan een andere schuldeiser met een persoonlijk recht, Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 2005 (MvT).
De last ontbreekt in de opsomming van art. 4:7 lid 1 BW.
Handboek Erfrecht 2011, p. 195.
Handboek Erfrecht 2011, p. 199.
Groene Serie Erfrecht, art. 4:131 BW, aant. 7, P.J.F.M. Le Cat.
Art. 4:132 BW.
Art. 4:123 BW.
Parl. Gesch. Inv. BW Boek 4, p. 2000 (MvA).
Asser/Perrick 4 2013/210.
279. Een uiterste wilsbeschikking is in art. 4:42 lid 1 BW gedefinieerd als een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en die in Boek 4 BW is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt. De ongerichtheid van de uiterste wilsbeschikking wordt niet in deze definitie tot uitdrukking gebracht. In titel 5 van Boek 4 BW is het in art. 4:42 lid 1 BW genoemde gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen uitgewerkt, althans wat de belangrijkste in Boek 4 BW en dus niet hierbuiten geregelde uiterste wilsbeschikkingen betreft. Ik richt mij hierna op de erfstelling, het legaat en de last.1
Erfstelling
280. De erfstelling is blijkens art. 4:115 BW een uiterste wilsbeschikking, krachtens welke de erflater aan één of meer daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin nalaat. Met een erfstelling kan een erflater afwijken van erfopvolging bij versterf.2 De beoogde erfgenaam moet bestaan ten tijde van het overlijden van de erflater (art. 4:9 en 4:56 lid 1 BW) en bovendien kunnen worden geïdentificeerd aan de hand van de uiterste wil en de op het moment van overlijden geldende omstandigheden.3 Geen erfstelling kan dus worden gemaakt ten behoeve van, bijvoorbeeld, een op het moment van overlijden nog ongeboren kleinkind.4 Zo’n erfstelling moet worden uitgelegd als ofwel een last, ofwel een legaat, afhankelijk van of de bevoordeelde een vorderingsrecht krijgt voor het saldo van de nalatenschap.5
Het rechtsgevolg van erfopvolging is de verkrijging van vermogen onder algemene titel en het ontstaan van de verplichting tot afwikkeling van de nalatenschap, zoals de betaling van schulden.6 De verkrijging van vermogen onder algemene titel houdt in dat de erfgenamen de erflater opvolgen in zijn rechtsbetrekkingen en dat zijn goederen en schulden deel worden van hun vermogen. Voor de verkrijging van alle vermogensbestanddelen gelden geen leveringsvereisten voor de afzonderlijke vermogensbestanddelen. Evenmin is schuld- of contractsoverneming vereist.7 Bij overgang onder algemene titel volgen de erfgenamen de erflater in beginsel op in het gehele vermogen en in alle vermogensrechtelijke rechtsbetrekkingen. Wat betreft de schulden van de nalatenschap geldt als uitgangspunt dat op het gehele vermogen van de aansprakelijke erfgenaam – dus op zijn privévermogen en (zijn aandeel in) de nalatenschap – verhaal kan worden genomen, en dat hij met zijn gehele vermogen draagplichtig is. De nalatenschap raakt vermengd met het overige vermogen van de erfgenaam.8
In een erfstelling kan ook een onterving worden opgenomen, zo bepaalt art. 4:1 lid 2 BW. De erflater voorkomt dat een versterferfgenaam hem in zijn vermogen opvolgt. Als in een erfstelling uitdrukkelijk een erfgenaam wordt benoemd, waardoor een versterferfgenaam geheel of gedeeltelijk wordt uitgesloten van erfopvolging, is er weliswaar geen uitdrukkelijke, maar wel middellijke (impliciete) onterving.9
Legaat
281. Het legaat wordt in art. 4:117 BW gekwalificeerd als een uiterste wilsbeschikking, waarin de erflater aan één of meer personen een vorderingsrecht toekent. De erflater verschaft een persoonlijk vorderingrecht aan de legataris jegens de erfgenamen.10 Het legaat komt in beginsel ten laste van de gezamenlijke erfgenamen, tenzij de uiterste wilsbeschikking als schuldenaar van het vorderingsrecht één of meer bepaalde erfgenamen of legatarissen aanwijst. In het geval van een deelbare prestatie zijn als hoofdregel de verbonden erfgenamen aansprakelijk voor een deel, evenredig aan hun erfdeel. Als de prestatie ondeelbaar is, zijn de erfgenamen hoofdelijk verbonden. Art. 4:117 BW ziet op de aansprakelijkheid van erfgenamen jegens de legataris. De wet zwijgt over de interne draagplicht. In de literatuur wordt aangenomen dat een schuld uit een legaat de met het legaat belaste erfgenaam naar evenredigheid van zijn erfdeel aangaat in de verhouding tussen de erfgenamen onderling, tenzij de uiterste wilsbeschikking anders bepaalt.11
De legataris is een schuldeiser van de nalatenschap. Wettelijk bepaald is echter dat een vordering uit legaat slechts ten laste van de nalatenschap wordt voldaan, als alle andere nalatenschapsschulden ten volle zijn betaald.12 Legatarissen zijn postconcurrente schuldeisers op de nalatenschap.13 Legatarissen onderling zijn in beginsel concurrente schuldeisers.14 Voor zover de schulden uit legaat niet kunnen worden voldaan uit de nalatenschap, worden zij verminderd.15 De vermindering van een legaat ziet alleen op de verhaalbaarheid van de vordering op de nalatenschap.16 De erfgenamen blijven in privé aansprakelijk voor het gedeelte van het legaat dat niet uit de nalatenschap kan worden voldaan, 17 althans waneer zij de nalatenschap zuiver aanvaard hebben. Het geschiedt niet van rechtswege, maar op grond van een verklaring aan de legataris door de met het legaat belaste erfgenamen, wat de vermindering zelf ook een eenzijdige rechtshandeling maakt.18
Volgens Kleijn vloeit uit de regeling van vermindering voort dat de legatarissen een achtergestelde vordering hebben.19 Mijns inziens is vermindering van de vordering iets anders dan achterstelling. De rechtsgevolgen van vermindering zijn volgens de wetgever vergelijkbaar met die van ontbinding van een wederkerige overeenkomst. Nog niet uitgevoerde verplichtingen gaan geheel of gedeeltelijk teniet. Voor al uitgevoerde verbintenissen vervalt de rechtsgrond niet, maar de legataris kan aangesproken worden tot terugbetaling.20
282. Hoewel art. 4:7 BW een rangorde van nalatenschapsschulden voorschrijft, is voldoening van een opeisbare vordering uit een legaat bevrijdend, ook voordat de overige nalatenschapschulden zijn voldaan. Art. 4:184 lid 1 BW geeft de legataris bovendien het recht om zich op goederen van de nalatenschap te verhalen. Het bevrijdende karakter van die voldoening is echter relatief. Als de legataris is voldaan voordat andere nalatenschapschulden zijn betaald, kan hij via twee wegen worden aangesproken tot terugbetaling van het ontvangene. Ten eerste kan een door de rechter benoemde vereffenaar het ontvangene terugvorderen, voor zover dit nodig is om andere nalatenschapsschulden te voldoen.21 Schuldeisers van andere nalatenschapschulden hebben op grond van art. 4:220 lid 3 BW ook zelf een ‘recht van verhaal’ jegens legatarissen voor het ontvangene, als deze niet voldoende nog onverkochte goederen kunnen aanwijzen waarop de onbetaalde schuldeisers zich kunnen verhalen. Vanuit vermogensrechtelijk perspectief zijn deze verhaalsmogelijkheden opmerkelijk. Ze vormen een afwijking van art. 3:276 BW, nu legatarissen geen schuldenaar zijn van de schuldeisers22 – dat is de nalatenschap. Evenmin is duidelijk wat de verhouding tussen de legatarissen onderling is, of zij hoofdelijk aansprakelijk zijn en onderling regres kunnen nemen. Ten slotte heeft Van Es als kritiek geuit dat de gelijke behandeling van legatarissen wordt veronachtzaamd doordat de wet niet voorschrijft dat de schuldeiser de legatarissen moeten aanspraken naar evenredigheid van de omvang van de uitgekeerde legaten.23
De twee verhaalsaanspraken vervallen drie jaar na het verbindend worden van de uitdelingslijst. Reeds verrichte betalingen zijn niet onverschuldigd, dus als de legatarissen voldaan zijn en er wordt niet tijdig teruggevorderd, blijft de vermindering zonder gevolg.
Een voorbeeld kan dit systeem verduidelijken. Stel dat een nalatenschap €50.000 omvat, dat de erflater €10.000 aan onbetaalde schulden heeft, dat hij zijn broer tot enig erfgenaam benoemt en dat hij aan ieder van zijn vier beste vrienden een legaat vermaakt van €12.500. Na voldoening van de schulden resteert een bedrag van €40.000. Uit de nalatenschap kan aan ieder van de legatarissen slechts €10.000 voldaan worden. De legaten worden dan met €2.500 verminderd. Heeft de erfgenaam echter de nalatenschap zuiver aanvaard, dan verkrijgen de legatarissen ieder een vordering op de erfgenaam tot betaling van de resterende €2.500.
283. Als het legaat ziet op goederen, verkrijgt de legataris deze onder bijzondere titel.24 Het legaat is de titel voor overdracht.25 De legataris wordt niet van rechtswege rechthebbende op het goed na overlijden, maar verkrijgt een vorderingsrecht tot levering.26 Het legaat heeft dus geen goederenrechtelijk gevolg. Het gelegateerde goed moet eerst geleverd worden conform de voor het goed vereiste leveringsformaliteiten. De legataris heeft een persoonlijke aanspraak op de erfgenaam en is in een eventueel faillissement concurrent schuldeiser.27
Last
284. Een testamentaire last houdt in dat de erflater in een uiterste wilsbeschikking aan de gezamenlijke erfgenamen of aan één of meer bepaalde erfgenamen of legatarissen een verplichting oplegt, die niet bestaat in de uitvoering van een legaat.28 De testamentaire last vormt, anders dan een legaat, geen schuld van de nalatenschap.29 Er kan geen nakoming van een last worden gevorderd. De erflater zal doorgaans niet bedoelen iemand te bevoordelen met het opleggen van een last aan de erfgenamen, omdat daarvoor het legaat het geëigende middel is.30 Dit neemt niet weg dat het effect van het uitvoeren van een last bevoordelend kan werken. Een last kan gebruikt worden voor estate planning, bijvoorbeeld door aan een erfgenaam de last op te leggen de nalatenschap te delen met een op het moment van overlijden nog ongeboren nazaat. De last wordt ook gebruikt om een beschikking te clausuleren, bijvoorbeeld als de erflater aan een legataris de last oplegt om het gelegateerde bedrag te besteden aan opleidingskosten.
Als de met de last bezwaarde erfgenaam of legataris de last niet vervult, vervalt zijn recht, zo bepaalt art. 4:131 BW. De lastplichtige verkrijgt zijn recht onder de ontbindende voorwaarde dat het wegens niet-uitvoering van de last vervallen wordt verklaard door de rechter. De vervallenverklaring kan worden verzocht door eenieder die daarbij een onmiddellijk belang heeft, zoals degene die erfgenaam wordt als het erfgenaamschap van de lastplichtige vervalt.31 De vervallenverklaring heeft geen terugwerkende kracht.32 De erfgenaam wiens recht vervalt, is ooit erfgenaam geweest en blijft met zijn gehele vermogen aansprakelijk jegens schuldeisers van de nalatenschap en legatarissen, waarbij hij een recht van verhaal heeft op degenen die het door hem geërfde na hem verkrijgen.33 Hij is hoofdelijk aansprakelijk, maar niet draagplichtig in de interne verhouding. Het risico dat de erfgenaam of legataris aan wie het geërfde opkomt, failleert, komt voor rekening van de erfgenaam of legataris wiens recht vervallen is.34 Niet-vervulling van de last heeft dus verdergaande gevolgen dan slechts het verlies van het geërfde. Na verval komt de last te rusten op degene aan wie het erfdeel toevalt, tenzij uit de aard van last of uit de uiterste wilsbeschikking iets anders voortvloeit.35
Op verzoek van de lastplichtige of het Openbaar Ministerie kan de rechter in bepaalde gevallen de last wijzigen of opheffen.36 Het gaat om gevallen waarin na overlijden omstandigheden zijn ingetreden waardoor ongewijzigde instandhouding ongerechtvaardigd zou zijn, dan wel waardoor uitvoering van de last bezwaarlijk of onmogelijk is geworden. Bij het wijzigen of opheffen van de last neemt de rechter zoveel mogelijk de bedoeling van de erflater in acht. Dat blijkt ook uit de derde grond waarop de rechter de last kan wijzigen, namelijk het geval dat de last op een ander is komen te liggen dan degene aan wie hij bij uiterste wilsbeschikking was opgelegd, omdat de lastplichtige geen erfgenaam of legataris is geworden of zijn recht is vervallen.
285. Aangezien de lastbevoordeelde, anders dan een legataris, geen vorderingsrecht verkrijgt,37 is zijn enige pressiemiddel het verzoek tot vervallenverklaring bij de rechter. Het kan onduidelijk zijn of in een concreet geval de uiterste wilsbeschikking een legaat onder voorwaarde inhoudt dan wel een last. Perrick schrijft dat beslissend is of de erflater aan iemand een vorderingsrecht toekent. Als dat onduidelijk is, moet de uiterste wilsbeschikking worden uitgelegd. Perrick schrijft dat het de voorkeur heeft de uiterste wilsbeschikking zo uit te leggen dat het om een legaat gaat.38 Mijns inziens is overigens al sprake van uitleg bij het beoordelen of aan de begunstigde al dan niet een vorderingsrecht wordt toegekend. Zoals ik hierna in nr. 303 e.v. bespreek, is de neiging in het erfrecht om uitleg alleen te zien als hulpmiddel als de uiterste wilsbeschikking ‘onduidelijk’ is, een rudiment uit het verleden dat losgelaten moet worden.