Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.5.5.1
II.5.5.1 Prestatiebegrip
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS495428:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 6 februari 1997, zaak C-80/95, BNB 1997/386 (concl. A-G Fennelly; Harnas & Helm; m.nt. M.E. van Hilten); HR 15 juli 1997, BNB 1997/387 (m.nt. M.E. van Hilten).
Zie ook Hof Amsterdam 17 december 2009, V-N 2010/14.1.4, r.o. 5.3.
HvJ 29 oktober 2009, zaak C-29/08, BNB 2010/251 (concl. A-G Mengozzi; AB SKF; m.nt. J.J.P. Swinkels).
Zie in dezelfde zin inzake dividend en aandelen Van Zadelhoff 2016, p. 64.
Vgl. HvJ 12 juli 2001, zaak C-102/00, BNB 2002/182 (Welthgrove; m.nt. M.E. van Hilten).
HvJ 29 april 2004, zaak C-77/01, BNB 2004/285, r.o. 69 (concl. A-G Léger; EDM; m.nt. M.E. van Hilten).
HvJ 14 november 2000, zaak C-142/99, FED 2001/179 (Floridienne/Berginvest; m.aant. J.J.P. Swinkels).
Zie HvJ 22 juni 1993, zaak C-333/91, Jur. 1993, p. I-3538, r.o. 13 (Sofitam); HvJ 27 september 2001, zaak C-16/00, V-N 2001/55.7, r.o. 44 (Cibo).
Zie HvJ 26 juni 2003, zaak C-305/01, FED 2003/513 (MKG; m.aant. J.J.P. Swinkels).
Het verkrijgen en houden van obligaties is in de kern het verstrekken van een lening aan de emittent van die obligaties (zie par. 5.2 en 5.3.1). Daarin zou een prestatie (dienst) van de obligatiehouder kunnen worden gezien. Als vergoeding voor die dienst komen in aanmerking de verschuldigde rente (interest) en een eventuele korting op de nominale waarde van de obligaties bij uitgifte (disconto). Deze gedachtegang is naar het oordeel van het Hof van Justitie echter niet juist. In de zaak Harnas & Helm overweegt het Hof namelijk (in reactie op de inbreng van de Franse regering) dat onderscheid gemaakt moet worden tussen het verwerven en houden van aandelen en het verwerven en houden van obligaties:1
‘18. Dienaangaande moet met de Nederlandse regering opgemerkt worden, dat de bezigheid van een obligatiehouder kan worden gekenschetst als een vorm van beleggen die het karakter van enkel vermogensbeheer niet te boven gaat. De inkomsten uit obligaties spruiten voort uit het enkele houden daarvan, dat recht op rente verleent. Derhalve kan de aldus ontvangen rente niet worden aangemerkt als de tegenprestatie voor een handeling of economische activiteit van de obligatiehouder, daar zij voortspruit uit de enkele eigendom van de obligaties.
19. Er is dan ook geen enkele reden om het houden van obligaties en het houden van aandelen verschillend te behandelen. Daarom zijn in [artikel 135, lid 1, onderdeel f, Btw-richtlijn – WJB], zowel aandelen als obligaties vrijgesteld van de BTW.
20. Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat [artikel 9, lid 1, Btw-richtlijn – WJB] aldus moet worden uitgelegd, dat het enkele in eigendom verwerven en houden van obligaties die niet dienstbaar zijn aan enige andere ondernemingsactiviteit, en het genieten van inkomsten daaruit, niet zijn aan te merken als economische activiteiten die aan de betrokkene de hoedanigheid van belastingplichtige verlenen.’
Toegegeven moet worden dat deze overwegingen over de belastingplicht handelen. Het Hof van Justitie stelt in deze overwegingen niettemin dat er geen reden is voor een verschillende behandeling van het verkrijgen en houden van aandelen of obligaties. En een consequente gelijkschakeling betekent dat rente op obligaties niet de vergoeding is voor een prestatie (vgl. par. 4.5.1).2 Dit ligt ook besloten in de vaststelling dat de rente op obligaties een uit ‘enkele eigendom’ voortspruitende opbrengst is. Dergelijke opbrengst is geen vergoeding voor een prestatie, zoals het Hof van Justitie in de zaak AB SKF heeft bevestigd:3
‘29. Het Hof heeft gepreciseerd dat alleen betalingen die de tegenprestatie van een handeling of van een economische activiteit vormen, binnen de werkingssfeer van de btw vallen en dat zulks niet het geval is voor die welke voortvloeien uit de enkele eigendom van de zaak, zoals het geval is met dividenden en andere opbrengsten uit aandelen (…).’
Ontvangen rente op een obligatie wordt daarom ook niet een vergoeding voor een prestatie als de obligatiehouder als ondernemer handelt. De oorzaak van de rentebetaling op de obligatie blijft ‘enkele eigendom’.4 De ondernemende obligatiehouder hoeft niets extra te doen om in aanmerking te komen voor de rente in vergelijking met de niet-ondernemende obligatiehouder.5
Een kanttekening is dat het Hof van Justitie in zijn latere arrest in de zaak EDM ontvangen rente op depositocertificaten en schatkistpapier wél als vergoeding heeft aangemerkt.6 Depositocertificaten en schatkistpapier zijn vanwege hun verhandelbaarheid vergelijkbaar met obligaties. Een afwijkende behandeling ligt daarom niet direct voor de hand (zie nader par. 5.8). Voorts kan – a contrario – in het arrest in de zaak Floridienne/Berginvest worden gelezen dat rente op een lening alleen uit eigendom voortvloeit als sprake is van een belegging:7
‘30. Bovendien moet worden vastgesteld, dat een eenvoudige herbelegging door een holdingvennootschap van dividenden die zij van haar dochterondernemingen ontvangt en die zelf buiten de werkingssfeer van de BTW vallen, in de vorm van leningen aan deze dochterondernemingen, op geen enkele manier een belastbare activiteit uitmaakt. De interesten op dergelijke leningen moeten integendeel worden beschouwd als de opbrengsten van de loutere eigendom van het goed, en zijn dus vreemd aan het stelsel van het recht van aftrek.’
Een mogelijke redenering is dat rente bij het houden van obligaties als ondernemer wel een vergoeding voor kredietverlening is in het licht van voormelde overweging, al dan niet in bepaalde situaties, omdat sprake is van meer dan beleggen. Die lezing is echter in tegenspraak met de zojuist geciteerde rechtsoverweging 29 uit het arrest in de zaak AB SKF. Daarin overweegt het Hof van Justitie immers dat betalingen die voortvloeien uit eigendom noch de vergoeding voor een economische activiteit (onderneming) zijn noch voor een handeling (prestatie). Ook in andere jurisprudentie komt dat tot uitdrukking.8 Mijn slotsom is daarom dat het verkrijgen en houden van obligaties nooit een prestatie onder bezwarende titel aan de emittent is.
Onder omstandigheden is het wellicht nog wel denkbaar dat het verkrijgen van obligaties een factoringdienst of daarmee gelijk te stellen dienst is aan de vorige obligatiehouder. Een partij zou bereid kunnen zijn obligaties over te nemen waarvan de emittent in verzuim is om die vervolgens voor eigen rekening en risico te gaan innen. Lastig is vervolgens wel de identificatie van een vergoeding. Als dat lukt, zou de verkrijger een van de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel j, ten tweede, Wet OB 1968 uitgezonderde inningsdienst verlenen.9 In hoofdstuk 7 wordt hierop nader ingegaan.