De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.2.2:IV.19.2.2 Nederland
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.2.2
IV.19.2.2 Nederland
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375300:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Nederlandse wetgever lijkt veel minder de overtuiging te hebben dat het mogelijk moet zijn om onrechtmatige (onjuiste) beschikkingen in te trekken. Veelal is in een intrekkingsregeling een grond te vinden voor intrekking vanwege het feit dat de aanvrager onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. Gewezen kan onder meer worden op art. 5.19 lid 1 aanhef en onder a Wabo, art. 4:48 lid 1 sub c Awb en art. 22 lid 2 aanhef en onder b Vw 2000. De beschikking is dan in strijd met het recht gegeven door handelen van de geadresseerde. De gedachte is kennelijk dat in een dergelijk geval een bevoegdheid tot intrekking wenselijk is.
Een grond voor intrekking vanwege onrechtmatigheid (onjuistheid) van de beschikking, anders dan ten gevolge van het verstrekken onjuiste of onvolledige gegevens door de aanvrager, is daarentegen niet steeds in de in dit boek bestudeerde intrekkingsregelingen terug te vinden. Nadere bestudering leert dat een dergelijke intrekkingsgrond vooral bestaat ten aanzien van financiële beschikkingen, zoals subsidies of uitkeringen. Zo kan een beschikking tot subsidieverlening op grond van art. 4:49 lid 1 aanhef en onder b Awb worden ingetrokken, wanneer de subsidieverlening onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. Voorts kan worden gewezen op de artikelen 22a lid 1 aanhef en onder b WW en 17a lid 1 aanhef en onder b AOW, waarin een bevoegdheid tot intrekking is neergelegd voor de situatie waarin ten onrechte een WW-uitkering, respectievelijk ouderdomspensioen. De ten onrechte uitbetaalde bedragen kunnen als gevolg van het intrekkingsbesluit vervolgens worden ingetrokken.1 Deze betalingen hebben immers zonder rechtsgrond plaatsgevonden.
Bij andere begunstigende beschikkingen dan financiële beschikkingen, is een intrekkingsbevoegdheid voor situaties waarin een beschikking in strijd met het recht is gegeven (anders dan ten gevolge van onjuiste of onvolledige door de aanvrager verstrekte gegevens) vaak niet te vinden. Dat blijkt soms een bewuste keuze van de wetgever te zijn. Gewezen is reeds op het wetsvoorstel voor een Wro (oud), waarin een bepaling was opgenomen die de intrekking van aanleg-, sloop- en bouwvergunningen (nu: omgevingsvergunningen) mogelijk maakte voor gevallen waarin deze vergunning in strijd met de weigeringsgronden was verleend. Deze grond is uiteindelijk geschrapt, omdat men van mening was dat het, gelet op de vergaande consequenties die een intrekking ex tunc kan hebben voor de geadresseerde van het intrekkingsbesluit, niet wenselijk was om een dergelijke grond op te nemen.2 Anderzijds kan worden gewezen op de in paragraaf 3.2.2.1 besproken figuur van de geïmpliceerde bevoegdheid. Een dergelijke bevoegdheid wordt in de jurisprudentie aanvaard, onder meer voor de situatie waarin een beschikking ten onrechte is verstrekt.