Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/3.5
3.5 Toerekening van kennis aan de rechtspersoon als toedeling van een risico
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS601924:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over ‘de kennis van de rechtspersoon’ als niet meer dan een wijze van spreken: Bott 2000, p.148-151.
Ik neem als uitgangspunt dat het functioneren van machines, software e.d. van de rechtspersoon uiteindelijk is terug te voeren op beslissingen van individuen.
Resp. HR 11 mei 1990, NJ 1990/544; HR 11 maart 2005, NJ 2005/576; HR 11 november 2005, NJ 2007/231.
Rossel 1994, p. 337; Rogmans 2007/10, p. 12; Memelink 2009a, p. 5.
Verbunt en Van den Heuvel 2007, p. 217. Vgl. Smeehuijzen 2008, p. 211-212, die vindt dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 BW ondanks onbekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon gaat lopen wanneer die onbekendheid “geheel in de sfeer van de benadeelde ligt” doordat een vertegenwoordiger heeft nagelaten de benadeelde bepaalde relevante informatie door te geven.
Mijnssen 1978, p. 50 en Mijnssen 1982, p. 259.
De Valk 2009, p. 59.
Tjong Tjin Tai 2005, p. 267.
HR 22 juni 1973, NJ 1973/465.
Dit is een bijzonder gecomprimeerde samenvatting; zie voor de nuances par. 9.10.
77. Zeggen dat een rechtspersoon iets weet is niet meer dan een wijze van spreken: een rechtspersoon is immers geen fysiek persoon.1 Het is een wijze van spreken voor het behandelen van de rechtspersoon op dezelfde wijze als die waarop een natuurlijke persoon met de relevante kennis zou worden behandeld. Die gelijke behandeling vindt haar grondslag art. 2:5 BW.
Wanneer de functionaris die voor de rechtspersoon handelt bepaalde relevante kennis bezit, komt dit voor rekening van de rechtspersoon: koopt de directeur van de afdeling woningbouw namens projectontwikkelaar Jansen BV een stuk grond waarvan hij weet dat het verontreinigd is, dan komt Jansen BV geen beroep op dwaling toe. Ontbeert de directeur deze kennis, maar is die wel elders binnen de organisatie aanwezig, dan moet in het kader van het beroep op dwaling worden beoordeeld voor wiens risico – en dus: voor wiens rekening – de onwetendheid van de directeur komt. Heeft de directeur de relevante kennis wel, maar gebruikt hij die niet (bijvoorbeeld omdat hij een geheimhoudingsplicht heeft of de kennis heeft verworven in een privésituatie), dan draait het om de vraag: voor wiens rekening en risico komt het dat hij zijn kennis niet heeft aangewend? Toerekening van kennis aan rechtspersonen is primair een vorm van risicotoedeling. Voor het toedelen van dit risico is een grondslag nodig. Kenmerkend voor de rechtspersoon is dat diens werkzaamheden per definitie worden uitgevoerd door anderen (namelijk de individuen die voor de rechtspersoon werkzaam zijn2 ) en dat die werkzaamheden verdeeld kunnen zijn over meerdere individuen. Die individuen zullen hun kennis niet altijd op de juiste wijze gebruiken en zullen niet al hun kennis voortdurend met elkaar delen. Deze problematiek speelt zelfs bij de vennootschap met een enig aandeelhouder en enig bestuurder (eenmans-BV) en de stichting met één bestuurder. Hun werkzaamheden kunnen over meerdere individuen in de tijd verspreid zijn: de enig bestuurder kan aftreden en worden opgevolgd door een nieuwe bestuurder.
78. In Los Gauchos, Idee 2 en Ontvanger/Voorsluijs3 zoekt de Hoge Raad die grondslag in de verkeersopvattingen: bij de toerekening van kennis aan rechtspersonen moet worden bepaald of de kennis van het wetende individu “in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden” als kennis van de rechtspersoon. Dit sluit aan bij de visie dat toerekening van kennis een vorm is van risicotoedeling. De verwijzing naar de verkeersopvatting in het verbintenissenrecht hangt in het algemeen samen met de toerekening van risico’s, zo concluderen Rossel, Rogmans en Memelink.4 Verbunt en Van den Heuvel zien toerekening op grond van de verkeersopvattingen als “in essentie niets anders dan risicotoedeling buiten schuld in objectieve zin”.5 Mijnssen laat de onbekendheid van de verzekeraar met feiten die door de tussenpersoon worden verzwegen, voor rekening van de verzekeraar wanneer het inschakelen van de tussenpersoon “in de risicosfeer” van de verzekeraar ligt.6 De Valk beschouwt de toerekening van onrechtmatige daden aan de rechtspersoon als een vorm van risicoaansprakelijkheid die inherent is aan de aard en constructie van de rechtspersoon.7 Volgens Tjong Tjin Tai is de toerekening van kennis in contractuele verhoudingen gebaseerd op de contractueel overeengekomen risicoverdeling.8 In ErvenDavids/Oelslager oordeelde de Hoge Raad dat het feit dat een procuratiehouder niet had ontdekt dat het afschrift van een (te laat uitgebrachte) cassatiedagvaarding was geantedateerd, “voor eiseres een interne, louter in de sfeer van haar bedrijfsvoering liggende en uit dien hoofde voor haar risico komende aangelegenheid” was.9
79. Met dit alles is echter nog niet gezegd wanneer iets binnen de risicosfeer van de rechtspersoon valt en welke rechtvaardiging ervoor bestaat om bepaalde risico’s bij de rechtspersoon neer te leggen in plaats van bij de wederpartij. In sommige gevallen is toerekening van kennis aan de rechtspersoon naar mijn mening slechts te rechtvaardigen indien de rechtspersoon of een voor hem handelende functionaris een verwijt treft. Zoals hiervoor aangehaald in par. 2.4.2 en 2.4.3, eisen veel normen dat de partij in kwestie subjectieve kennis droeg van een bepaald feit of dat zij handelde met een kwade intentie. Kan die kennis of intentie niet worden vastgesteld, dan treedt het in de norm geregelde rechtsgevolg niet in. In par. 2.6 betoogde ik dat het type kennis dat door de norm wordt geëist, een indicatie geeft voor de bescherming die de norm biedt aan de partij die die kennis moet hebben. Typisch voor rechtspersonen is dat zij gebruik maken van arbeidsdeling. De functionaris met de kennis hoeft daarom niet de functionaris te zijn die handelt. In dat geval kan kennisversplintering optreden: de relevante informatie komt niet bij de handelende functionaris terecht. Die functionaris handelt dan in werkelijkheid niet ‘met opzet’, ‘terwijl hij beter wist’ of iets dergelijks. In par. 9.10 betoog ik, kort samengevat, dat de rechtspersoon in een dergelijk geval slechts mag worden behandeld als subjectief wetend, opzettelijk handelend, enzovoort indien hetzij de rechtspersoon verweten kan worden dat de handelende functionaris niet over de relevante informatie beschikte (bijvoorbeeld omdat de rechtspersoon zijn interne informatiesystemen heeft verwaarloosd), hetzij één van de betrokken functionarissen een ernstig verwijt treft dat de informatie niet is gedeeld.10 De stelling “toerekening van kennis aan de rechtspersoon is een vorm van toedeling van risico” is in die zin dan ook te ongenuanceerd. Verwijtbaarheid beïnvloedt de rechtvaardiging van de risicotoedeling in het concrete geval.