Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.8:11.8 Conclusie
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.8
11.8 Conclusie
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS595011:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
584. Wanneer een functionaris zijn kennis heeft opgedaan in een andere hoedanigheid dan die van functionaris voor de rechtspersoon, is het op het eerste gezicht minder vanzelfsprekend dat zijn kennis wordt toegerekend aan de rechtspersoon. De typen gevallen die zich kunnen voordoen zijn zeer divers. In dit hoofdstuk besprak ik de toerekening van privékennis (par. 11.3), van kennis die een functionaris heeft opgedaan in een andere functie of als bestuurder van een andere rechtspersoon (par. 11.4) en van kennis die een functionaris verkrijgt in zijn hoedanigheid van wederpartij van de rechtspersoon (par. 11.5). Ook behandelde ik de start van de verjaringstermijn van de rechtsvordering van de rechtspersoon op de functionaris (par. 11.6), en tot slot de vraag of de kennis die een grootaandeelhouder opdoet in een andere hoedanigheid dan als deelnemer aan de algemene vergadering, geldt als kennis van de algemene vergadering (par. 11.7).
Het onderzoek naar deze gevalstypes leidt tot de conclusie dat ‘hoedanigheidsproblematiek’ niet eenduidig is. Elk type geval vergt een eigen benadering. Voor privékennis is deels een eigen beoordelingskader nodig.
Dat beoordelingskader is geënt op het respect voor de persoonlijke levenssfeer en op de beperkte beheersbaarheid van het risico op kennisversplintering. Heeft de functionaris zijn kennis opgedaan bij een andere zakelijke activiteit of als wederpartij van de rechtspersoon, dan kan de beoordeling goeddeels plaatsvinden aan de hand van de vuistregels en omstandigheden die eerder in dit werk naar voren zijn gebracht. Wel mag de rechter soms terughoudendheid betrachten bij het toerekenen van de kennis die een functionaris in zo’n andere hoedanigheid heeft opgedaan, omdat het gebruik, de opslag en doorgifte van dergelijke kennis voor de rechtspersoon minder goed beheersbaar is. Lang niet altijd zal de rechter echter terughoudend moeten zijn bij het toerekenen van kennis die een functionaris in een andere hoedanigheid heeft opgedaan. Wanneer de functionaris zelf optreedt voor de rechtspersoon, kan hij de kennis die hij in andere hoedanigheid heeft opgedaan, immers niet uitschakelen. Per gevalstype ga ik na welke gezichtspunten behoren te worden meegewogen in het oordeel over toerekening van kennis.
Indien een bestuurder de rechtspersoon op ernstig verwijtbare wijze schade toebrengt en de informatie daarover verborgen houdt voor anderen binnen de rechtspersoon, is de vraag wanneer de rechtspersoon bekend raakt met de schade en de aansprakelijke persoon – en daarmee wanneer de verjaringstermijn van de rechtsvordering van de rechtspersoon op de bestuurder gaat lopen. Uit Huisman q.q./Hoskens, dat de uitleg betreft van de verlengingsregeling van art. 3:320 jo 3:321 lid 1 sub d BW, zou ten onrechte de conclusie kunnen worden getrokken dat de verjaringstermijn start zodra de bestuurder zelf kennis krijgt van de schade en hemzelf als aansprakelijke persoon, ook al houdt hij die informatie voor zijn collega’s verborgen. Mijns inziens behoort in een dergelijk geval de kennis van de bestuurder niet te worden toegerekend aan de rechtspersoon. Die benadering acht ik dogmatisch zuiverder en praktisch werkbaarder dan indien de bestuurder een beroep op verjaring wordt ontzegd op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Eenzelfde benadering dient naar mijn mening te worden toegepast op de verjaring van de rechtsvordering van de rechtspersoon op andere functionarissen dan bestuurders, op wie de verlengingsregeling niet van toepassing is.
Tot slot onderzocht ik of de kennis die een grootaandeelhouder buiten de algemene vergadering opdoet, geldt als kennis van de algemene vergadering. Mede op basis van onderzoek naar de decharge en het ontslag op staande voet van bestuurders van vennootschappen trek ik de conclusie dat dit in beginsel niet zo is.