Artikel 5, eerste lid, Richtlijn 2011/64/EU bepaalt wat voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder rooktabak. Daaronder valt op de eerste plaats gesneden of op andere wijze versnipperde, gesponnen of tot flakes geperste tabak die geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt (eerste lid, onderdeel a). Onder rooktabak valt verder tabaksafval, verpakt voor verkoop aan de consument, dat niet onder artikel 3 (sigaretten) en artikel 4, eerste lid, (sigaren en cigarillo's) valt en dat geschikt is om te worden gerookt (eerste lid, onderdeel b). Onderdeel b bepaalt voorts wat voor de toepassing van dit artikel onder tabaksafval wordt verstaan. Dit zijn de resten van tabaksbladeren en bijproducten die uit de verwerking van tabak of de vervaardiging van tabaksproducten ontstaan.
In de zaak Eko-Tabak, nr. C-638/15, (zie hierna onder Jurisprudentie) was de vraag aan de orde of een door Eko-Tabak op de markt gebracht product kon worden aangemerkt als rooktabak in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, en artikel 5, eerste lid, van richtlijn 2011/64/EU.
In zaak C-674/19 oordeelde het HvJ EU op 16 september 2019 dat waterpijptabak die voor 24% uit tabak bestaat en daarnaast bestaat uit andere stoffen, in zijn geheel moet worden beschouwd als rooktabak die aan de accijns op tabak is onderworpen. Zie onder Jurisprudentie.
Het Gerecht oordeelde op 15 april 2026, zaak C-190/25, Tabako lapai, dat artikel 5, lid 1, onder a), van Richtlijn 2011/64/EU geen verwijzing naar de GN vereist en dat op grond van dit artikel niet van de posten van de GN en de GN-toelichtingen hoeft te worden uitgegaan om een product als „rooktabak” in de zin van deze bepaling aan te merken.
Het Gerecht oordeelde op 29 april 2026, zaak C-194/25, Scrap-Transporteur dat het begrip ‘tabak die geschikt is om […] te worden gerookt’ geen criterium inzake de perceptie van de consument inhouden en dat onder het begrip ‘zonder verdere industriële verwerking’ ook methoden vallen die, hoewel zij meerdere stappen inhouden, door de consument thuis kunnen worden toegepast.
Artikel 4 van Richtlijn 79/32/EEG bevatte al een definitie van rooktabak. Met ingang van 26 december 1995 werden de Richtlijnen 72/464/EEG en 79/32/EEG vervangen door Richtlijn 95/59/EG. De oorspronkelijke tekst van artikel 5 Richtlijn 95/59/EG kwam overeen met de tekst van artikel 4 Richtlijn 79/32/EEG.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van Richtlijn 2010/12/EU van de Raad van 16 februari 2010, tot wijziging van Richtlijnen 92/97/EEG, 92/80/EEG en 95/59/EG wat betreft de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten en Richtlijn 2008/118/EG (PbEU 2010, L 50), is de tekst van artikel 5 Richtlijn 95/59/EG gewijzigd. De definitie van tabaksafval is toegevoegd. De tekst van Richtlijn 95/59/EG en van twee andere richtlijnen op het gebied van de tabaksaccijns is samengebracht in een nieuwe richtlijn (codificatie). Dit is Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten (PbEU 2011, L 176/24). Artikel 5, Richtlijn 95/59/EG komt overeen met artikel 5, eerste lid, Richtlijn 2011/64/EU.
Artikel 32, eerste lid, Wet op de accijns bepaalt dat onder rooktabak wordt verstaan niet als sigaren of als sigaretten aan te merken voor roken geschikte tabak. De definities van sigaren en sigaretten in de Wet op de accijns zijn gelijk aan de in de richtlijn opgenomen definities. Bij rooktabak is er een duidelijk verschil met de in artikel 5, eerste lid, Richtlijn 2011/64/EU opgenomen definitie van rooktabak.
Jurisprudentie
Richtinggevende jurisprudentie HvJ EU
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen het Hauptzollamt A (hierna: ‘douanekantoor’) en Scrap-Transporteur, betreffende de inbeslagneming van goederen die in Duitsland werden vervoerd in een aan deze laatste toebehorend voertuig.
B is een in een lidstaat gevestigde onderneming die een melange maakt van onverwerkte tabaksbladeren van de sort Flue Cured Virginia en deze vervolgens stript en verpakt in verschillende formaten. Zij heeft zeven dozen van in totaal 1.225 kilogram van deze tabaksbladeren aan de in Duitsland gevestigde onderneming C laten leveren. Deze zending is door het Zollfahndungsamt in beslag genomen. Deze goederen waren bestemd voor D, een andere in Duitsland gevestigde onderneming die daaruit waterpijptabak wilde produceren, en bevonden zich in een bestelwagen die werd bestuurd door de gevolmachtigde van C, Scrap-Transporteur.
De Duitse douane heeft een onderzoeksprocedure ingeleid tegen Scrap-Transporteur wegens verdenking van belastingfraude. Tijdens zijn ondervraging heeft deze laatste verklaard dat de in beslag genomen goederen geen rooktabak waren maar ruwe tabak die bestemd was om in Duitsland te worden verwerkt tot waterpijptabak. Het Bildungs- und Wissenschaftszentrum der Bundesfinanzverwaltung heeft een staal van de in beslag genomen goederen onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat deze bestonden uit tabakscraps, dat wil zeggen stukjes niet-gearomatiseerde en onverwerkte ruwe tabaksbladeren die worden verkregen door het breken van de tabaksbladeren en die geschikt zijn voor verbruik, aangezien het niet uitgesloten is deze te gebruiken in een pijp of als tussenvoegsel voor zelf gerolde sigaretten.
Het Bundesfinanzhof heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de begrippen ‘tabak die geschikt is om […] te worden gerookt’ en ‘zonder verdere industriële verwerking’ in artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64
Het Gerecht oordeelt dat de bewoordingen ‘geschikt om te worden gerookt’ in artikel 5, lid 1, onder a), van de richtlijn geen criterium inzake de perceptie van de consument inhouden.
Met betrekking tot de tweede vraag oordeelt het Gerecht dat artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 aldus moet worden uitgelegd dat onder de bewoordingen ‘zonder verdere industriële verwerking’ ook methoden vallen die, hoewel zij meerdere stappen inhouden, door de consument thuis kunnen worden toegepast.
Gerecht, Tweede kamer, 29 april 2026, zaak T-194/25, Scrap-Transporteur, ECLI:EU:T:2026:303, V-N Vandaag 2026/860.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing van een Litouwse rechter is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen Tabako lapai en A.K., die worden vervolgd omdat zij zonder vergunning grote hoeveelheden aan accijns onderworpen tabaksfabricaten hebben vervaardigd en opgeslagen. Tabako lapai was importeur en exporteur van tabaksgrondstoffen. Zij verwerkte de ingevoerde tabak gedeeltelijk door deze in essentie te scheuren, te splitsen en te bevochtigen, de versnipperde tabaksbladeren geheel of gedeeltelijk te strippen en de tabak te verpakken in plastic zakken van 20 kilogram. De tabak werd echter niet gesneden. Deze gedeeltelijk verwerkte tabak werd vervolgens naar andere lidstaten van de EU uitgevoerd. Een douanelaboratorium kreeg de opdracht om na te gaan of de aldus behandelde tabak wel onbewerkte tabak was, die als zodanig niet onder de categorie accijnsgoederen viel. Daartoe is een rooktest uitgevoerd, op grond waarvan het laboratorium heeft kunnen vaststellen dat de in het entrepot van Tabako lapai aangetroffen tabak voldeed aan de omschrijving van rooktabak, met als gevolg de oplegging van accijnzen en strafrechtelijke aansprakelijkheid.
Het Hof heeft verduidelijkt dat artikel 5, lid 1, onder a), van Richtlijn 2011/64/EU (de ‘richtlijn’) geen verwijzing naar de GN vereist: het gaat erom of de tabak zonder verdere industriële verwerking kan worden gerookt, een begrip dat reeds is gedefinieerd in het arrest Eko-Tabak (HvJ 6 april 2017, C‑638/15, ECLI:EU:C:2017:277). Eenvoudige handmatige handelingen vormen geen ‘industriële verwerking’ en kunnen daarom niet worden gebruikt om het product kunstmatig te construeren voor accijnsdoeleinden. De richtlijn, gericht op de bescherming van de volksgezondheid en concurrentieneutraliteit, heeft andere doelstellingen dan de douaneclassificatie, die is bedoeld voor het gemeenschappelijk douanetarief en de handelsstatistieken. Het Hof oordeelt dat op grond van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 niet van de posten van de GN en de GN-toelichtingen hoeft te worden uitgegaan om een product als „rooktabak” in de zin van deze bepaling aan te merken.
Wat betreft de geldigheid van richtlijn 2011/64, uitvoeringsverordening 2017/1925 (de ten tijde van de feiten geldende GN-Verordening) en de GN-toelichtingen in het licht van het legaliteitsbeginsel in strafzaken concludeert het Gerecht dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van deze bepalingen kunnen aantasten.
Skonis ir kvapas is een in Litouwen gevestigde vennootschap die actief is in onder andere de kleinhandel in verschillende tabaksproducten. Daartoe heeft zij in het tijdvak 2012‑2015 waterpijptabak in Litouwen ingevoerd, die verpakt was in zakjes van 50 of 250 gram en uit verschillende stoffen bestond, namelijk tabak (24%), suikersiroop (47%), glycerine (27%), aromastoffen (2%) en kaliumsorbaat (minder dan een gram per kilogram). Belanghebbende heeft niet het totale nettogewicht van de ingevoerde waterpijptabak opgegeven, maar alleen het gewicht van de daarin vervatte tabak. Volgens de Litouwse douanedienst moet volgens de nationale wetgeving de waterpijptabak in zijn geheel als accijnsplichtige rooktabak worden beschouwd en niet alleen de tabak die hij bevat.
Het HvJ EU oordeelt dat de artikelen 2 en 5 van Richtlijn 2011/64/EU aldus moeten worden uitgelegd dat waterpijptabak die voor 24% uit tabak bestaat en daarnaast bestaat uit andere stoffen, moet worden aangemerkt als een „product dat gedeeltelijk uit andere stoffen dan tabak bestaat” en als „rooktabak” in de zin van deze bepalingen en dus in zijn geheel, en ongeacht de andere stoffen dan tabak waaruit hij bestaat, moet worden beschouwd als rooktabak die aan de accijns op tabak is onderworpen.
De Douane van Tsjechië heeft de verbeurdverklaring gelast van een aantal goederen van Eko-Tabak, omdat zij rooktabak waren in de zin van de nationale accijnswet en bijgevolg aan accijns waren onderworpen. Uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie blijkt dat het gaat om gedroogde, platte, onregelmatige, gedeeltelijk gestripte tabaksbladeren die een primaire droging hebben ondergaan en gecontroleerd zijn bevochtigd, die sporen bevatten van glycerine, waardoor de bladeren vochtig en elastisch blijven zodat zij tijdens de bewerking ervan niet breken, en die, hoewel zij zijn bestemd voor een ander doel dan roken, na gewone voorbereiding, bijvoorbeeld malen of met de hand versnijden, geschikt zijn om te worden gerookt. Die producten waren, in hun geheel beschouwd, bestemd voor verkoop aan de consument. Het HvJ EU oordeelt dat artikel 2, eerste lid, onderdeel c, en artikel 5, eerste lid, van richtlijn 2011/64/EU aldus moeten worden uitgelegd dat gedroogde, platte, onregelmatige, gedeeltelijk gestripte tabaksbladeren die een primaire droging hebben ondergaan en gecontroleerd zijn bevochtigd, die glycerinesporen bevatten en die na gewone voorbereiding (malen of met de hand versnijden) geschikt zijn om te worden gerookt, onder het begrip „rooktabak” in de zin van die bepalingen vallen.
A-G Wahl concludeert in de zaak Eko-Tabak (conclusie van 15 december 2016, nr. C-638/15; ECLI:EU:C:2016:962; H&I 2016/471) dat in omstandigheden als omschreven in de verwijzingsbeschikking, de betrokken producten geschikt zijn om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt in de zin van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 2011/64/EU. De producten voldoen tevens aan de fysieke kenmerken (de eerste voorwaarde) van rooktabak die in datzelfde artikel worden genoemd. Naar zijn mening kunnen de betrokken producten derhalve als zodanig worden beschouwd als „andere soorten rooktabak” in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onder ii, en bijgevolg als aan accijns onderworpen „tabaksfabrikaten”.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Accijnzen en milieubelastingen, art. 5 Richtlijn 2011/64/EU, aant. 2
Aant. 2 Lid 1. Definitie rooktabak
Actueel t/m 11-05-2026
11-05-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/70 en V-N 2026/20.19.
01-01-2011 tot: -
Vakstudie Accijnzen en milieubelastingen, art. 5 Richtlijn 2011/64/EU, aant. 2
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
tabaksaccijns
accijns EU
accijns op rooktabak
Richtlijn 2011/64/EU betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten artikel 5
Beschouwing
Artikel 5, eerste lid, Richtlijn 2011/64/EU bepaalt wat voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder rooktabak. Daaronder valt op de eerste plaats gesneden of op andere wijze versnipperde, gesponnen of tot flakes geperste tabak die geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt (eerste lid, onderdeel a). Onder rooktabak valt verder tabaksafval, verpakt voor verkoop aan de consument, dat niet onder artikel 3 (sigaretten) en artikel 4, eerste lid, (sigaren en cigarillo's) valt en dat geschikt is om te worden gerookt (eerste lid, onderdeel b). Onderdeel b bepaalt voorts wat voor de toepassing van dit artikel onder tabaksafval wordt verstaan. Dit zijn de resten van tabaksbladeren en bijproducten die uit de verwerking van tabak of de vervaardiging van tabaksproducten ontstaan.
In de zaak Eko-Tabak, nr. C-638/15, (zie hierna onder Jurisprudentie) was de vraag aan de orde of een door Eko-Tabak op de markt gebracht product kon worden aangemerkt als rooktabak in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, en artikel 5, eerste lid, van richtlijn 2011/64/EU.
In zaak C-674/19 oordeelde het HvJ EU op 16 september 2019 dat waterpijptabak die voor 24% uit tabak bestaat en daarnaast bestaat uit andere stoffen, in zijn geheel moet worden beschouwd als rooktabak die aan de accijns op tabak is onderworpen. Zie onder Jurisprudentie.
Het Gerecht oordeelde op 15 april 2026, zaak C-190/25, Tabako lapai, dat artikel 5, lid 1, onder a), van Richtlijn 2011/64/EU geen verwijzing naar de GN vereist en dat op grond van dit artikel niet van de posten van de GN en de GN-toelichtingen hoeft te worden uitgegaan om een product als „rooktabak” in de zin van deze bepaling aan te merken.
Het Gerecht oordeelde op 29 april 2026, zaak C-194/25, Scrap-Transporteur dat het begrip ‘tabak die geschikt is om […] te worden gerookt’ geen criterium inzake de perceptie van de consument inhouden en dat onder het begrip ‘zonder verdere industriële verwerking’ ook methoden vallen die, hoewel zij meerdere stappen inhouden, door de consument thuis kunnen worden toegepast.
Artikel 4 van Richtlijn 79/32/EEG bevatte al een definitie van rooktabak. Met ingang van 26 december 1995 werden de Richtlijnen 72/464/EEG en 79/32/EEG vervangen door Richtlijn 95/59/EG. De oorspronkelijke tekst van artikel 5 Richtlijn 95/59/EG kwam overeen met de tekst van artikel 4 Richtlijn 79/32/EEG.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van Richtlijn 2010/12/EU van de Raad van 16 februari 2010, tot wijziging van Richtlijnen 92/97/EEG, 92/80/EEG en 95/59/EG wat betreft de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten en Richtlijn 2008/118/EG (PbEU 2010, L 50), is de tekst van artikel 5 Richtlijn 95/59/EG gewijzigd. De definitie van tabaksafval is toegevoegd. De tekst van Richtlijn 95/59/EG en van twee andere richtlijnen op het gebied van de tabaksaccijns is samengebracht in een nieuwe richtlijn (codificatie). Dit is Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten (PbEU 2011, L 176/24). Artikel 5, Richtlijn 95/59/EG komt overeen met artikel 5, eerste lid, Richtlijn 2011/64/EU.
Artikel 32, eerste lid, Wet op de accijns bepaalt dat onder rooktabak wordt verstaan niet als sigaren of als sigaretten aan te merken voor roken geschikte tabak. De definities van sigaren en sigaretten in de Wet op de accijns zijn gelijk aan de in de richtlijn opgenomen definities. Bij rooktabak is er een duidelijk verschil met de in artikel 5, eerste lid, Richtlijn 2011/64/EU opgenomen definitie van rooktabak.
Richtinggevende jurisprudentie HvJ EU
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen het Hauptzollamt A (hierna: ‘douanekantoor’) en Scrap-Transporteur, betreffende de inbeslagneming van goederen die in Duitsland werden vervoerd in een aan deze laatste toebehorend voertuig.
B is een in een lidstaat gevestigde onderneming die een melange maakt van onverwerkte tabaksbladeren van de sort Flue Cured Virginia en deze vervolgens stript en verpakt in verschillende formaten. Zij heeft zeven dozen van in totaal 1.225 kilogram van deze tabaksbladeren aan de in Duitsland gevestigde onderneming C laten leveren. Deze zending is door het Zollfahndungsamt in beslag genomen. Deze goederen waren bestemd voor D, een andere in Duitsland gevestigde onderneming die daaruit waterpijptabak wilde produceren, en bevonden zich in een bestelwagen die werd bestuurd door de gevolmachtigde van C, Scrap-Transporteur.
De Duitse douane heeft een onderzoeksprocedure ingeleid tegen Scrap-Transporteur wegens verdenking van belastingfraude. Tijdens zijn ondervraging heeft deze laatste verklaard dat de in beslag genomen goederen geen rooktabak waren maar ruwe tabak die bestemd was om in Duitsland te worden verwerkt tot waterpijptabak. Het Bildungs- und Wissenschaftszentrum der Bundesfinanzverwaltung heeft een staal van de in beslag genomen goederen onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat deze bestonden uit tabakscraps, dat wil zeggen stukjes niet-gearomatiseerde en onverwerkte ruwe tabaksbladeren die worden verkregen door het breken van de tabaksbladeren en die geschikt zijn voor verbruik, aangezien het niet uitgesloten is deze te gebruiken in een pijp of als tussenvoegsel voor zelf gerolde sigaretten.
Het Bundesfinanzhof heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de begrippen ‘tabak die geschikt is om […] te worden gerookt’ en ‘zonder verdere industriële verwerking’ in artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64
Het Gerecht oordeelt dat de bewoordingen ‘geschikt om te worden gerookt’ in artikel 5, lid 1, onder a), van de richtlijn geen criterium inzake de perceptie van de consument inhouden.
Met betrekking tot de tweede vraag oordeelt het Gerecht dat artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 aldus moet worden uitgelegd dat onder de bewoordingen ‘zonder verdere industriële verwerking’ ook methoden vallen die, hoewel zij meerdere stappen inhouden, door de consument thuis kunnen worden toegepast.
Gerecht, Tweede kamer, 29 april 2026, zaak T-194/25, Scrap-Transporteur, ECLI:EU:T:2026:303, V-N Vandaag 2026/860.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing van een Litouwse rechter is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen Tabako lapai en A.K., die worden vervolgd omdat zij zonder vergunning grote hoeveelheden aan accijns onderworpen tabaksfabricaten hebben vervaardigd en opgeslagen. Tabako lapai was importeur en exporteur van tabaksgrondstoffen. Zij verwerkte de ingevoerde tabak gedeeltelijk door deze in essentie te scheuren, te splitsen en te bevochtigen, de versnipperde tabaksbladeren geheel of gedeeltelijk te strippen en de tabak te verpakken in plastic zakken van 20 kilogram. De tabak werd echter niet gesneden. Deze gedeeltelijk verwerkte tabak werd vervolgens naar andere lidstaten van de EU uitgevoerd. Een douanelaboratorium kreeg de opdracht om na te gaan of de aldus behandelde tabak wel onbewerkte tabak was, die als zodanig niet onder de categorie accijnsgoederen viel. Daartoe is een rooktest uitgevoerd, op grond waarvan het laboratorium heeft kunnen vaststellen dat de in het entrepot van Tabako lapai aangetroffen tabak voldeed aan de omschrijving van rooktabak, met als gevolg de oplegging van accijnzen en strafrechtelijke aansprakelijkheid.
Het Hof heeft verduidelijkt dat artikel 5, lid 1, onder a), van Richtlijn 2011/64/EU (de ‘richtlijn’) geen verwijzing naar de GN vereist: het gaat erom of de tabak zonder verdere industriële verwerking kan worden gerookt, een begrip dat reeds is gedefinieerd in het arrest Eko-Tabak (HvJ 6 april 2017, C‑638/15, ECLI:EU:C:2017:277). Eenvoudige handmatige handelingen vormen geen ‘industriële verwerking’ en kunnen daarom niet worden gebruikt om het product kunstmatig te construeren voor accijnsdoeleinden. De richtlijn, gericht op de bescherming van de volksgezondheid en concurrentieneutraliteit, heeft andere doelstellingen dan de douaneclassificatie, die is bedoeld voor het gemeenschappelijk douanetarief en de handelsstatistieken. Het Hof oordeelt dat op grond van artikel 5, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/64 niet van de posten van de GN en de GN-toelichtingen hoeft te worden uitgegaan om een product als „rooktabak” in de zin van deze bepaling aan te merken.
Wat betreft de geldigheid van richtlijn 2011/64, uitvoeringsverordening 2017/1925 (de ten tijde van de feiten geldende GN-Verordening) en de GN-toelichtingen in het licht van het legaliteitsbeginsel in strafzaken concludeert het Gerecht dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van deze bepalingen kunnen aantasten.
Gerecht, Tweede kamer, 15 april 2026, zaak T-190/25, Tabako lapai, ECLI:EU:T:2026:261, H&I 2026/118.
Skonis ir kvapas is een in Litouwen gevestigde vennootschap die actief is in onder andere de kleinhandel in verschillende tabaksproducten. Daartoe heeft zij in het tijdvak 2012‑2015 waterpijptabak in Litouwen ingevoerd, die verpakt was in zakjes van 50 of 250 gram en uit verschillende stoffen bestond, namelijk tabak (24%), suikersiroop (47%), glycerine (27%), aromastoffen (2%) en kaliumsorbaat (minder dan een gram per kilogram). Belanghebbende heeft niet het totale nettogewicht van de ingevoerde waterpijptabak opgegeven, maar alleen het gewicht van de daarin vervatte tabak. Volgens de Litouwse douanedienst moet volgens de nationale wetgeving de waterpijptabak in zijn geheel als accijnsplichtige rooktabak worden beschouwd en niet alleen de tabak die hij bevat.
Het HvJ EU oordeelt dat de artikelen 2 en 5 van Richtlijn 2011/64/EU aldus moeten worden uitgelegd dat waterpijptabak die voor 24% uit tabak bestaat en daarnaast bestaat uit andere stoffen, moet worden aangemerkt als een „product dat gedeeltelijk uit andere stoffen dan tabak bestaat” en als „rooktabak” in de zin van deze bepalingen en dus in zijn geheel, en ongeacht de andere stoffen dan tabak waaruit hij bestaat, moet worden beschouwd als rooktabak die aan de accijns op tabak is onderworpen.
HvJ EU 16 september 2020, nr. C-674/19, ECLI:EU:C:2020:710; H&I 2021/136.
De Douane van Tsjechië heeft de verbeurdverklaring gelast van een aantal goederen van Eko-Tabak, omdat zij rooktabak waren in de zin van de nationale accijnswet en bijgevolg aan accijns waren onderworpen. Uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie blijkt dat het gaat om gedroogde, platte, onregelmatige, gedeeltelijk gestripte tabaksbladeren die een primaire droging hebben ondergaan en gecontroleerd zijn bevochtigd, die sporen bevatten van glycerine, waardoor de bladeren vochtig en elastisch blijven zodat zij tijdens de bewerking ervan niet breken, en die, hoewel zij zijn bestemd voor een ander doel dan roken, na gewone voorbereiding, bijvoorbeeld malen of met de hand versnijden, geschikt zijn om te worden gerookt. Die producten waren, in hun geheel beschouwd, bestemd voor verkoop aan de consument. Het HvJ EU oordeelt dat artikel 2, eerste lid, onderdeel c, en artikel 5, eerste lid, van richtlijn 2011/64/EU aldus moeten worden uitgelegd dat gedroogde, platte, onregelmatige, gedeeltelijk gestripte tabaksbladeren die een primaire droging hebben ondergaan en gecontroleerd zijn bevochtigd, die glycerinesporen bevatten en die na gewone voorbereiding (malen of met de hand versnijden) geschikt zijn om te worden gerookt, onder het begrip „rooktabak” in de zin van die bepalingen vallen.
HvJ EU 6 april 2017, nr. C-638/15, Eko-Tabak, ECLI:EU:C:2017:277; H&I 2017/191.
A-G Wahl concludeert in de zaak Eko-Tabak (conclusie van 15 december 2016, nr. C-638/15; ECLI:EU:C:2016:962; H&I 2016/471) dat in omstandigheden als omschreven in de verwijzingsbeschikking, de betrokken producten geschikt zijn om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt in de zin van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 2011/64/EU. De producten voldoen tevens aan de fysieke kenmerken (de eerste voorwaarde) van rooktabak die in datzelfde artikel worden genoemd. Naar zijn mening kunnen de betrokken producten derhalve als zodanig worden beschouwd als „andere soorten rooktabak” in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onder ii, en bijgevolg als aan accijns onderworpen „tabaksfabrikaten”.