Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/128:128 Inning van niet in geld luidende vorderingen
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/128
128 Inning van niet in geld luidende vorderingen
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 30-07-2025
- Datum
30-07-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD19228:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel er bij de parlementaire behandeling van art. 3:246 BW vanuit lijkt te zijn gegaan dat de te innen vordering een geldvordering is,1 is er naar mijn mening geen reden om aan te nemen dat de inningsbevoegdheid van de pandhouder tot geldvorderingen beperkt is.
Janssen heeft daarentegen betoogd dat uitsluitend geldvorderingen door een pandhouder geïnd kunnen worden.2 Hij geeft voor deze stelling twee argumenten. Zijn eerste argument is dat inning taalkundig uitsluitend op een geldsom betrekking zou kunnen hebben. Janssen onderbouwt dit argument niet en mijns inziens valt niet in te zien waarom inning taalkundig gezien geen betrekking zou kunnen hebben op vorderingen die niet in geld luiden.3 Het tweede argument van Janssen is dat uit het feit dat er in de wetsgeschiedenis van inning van in geld luidende vorderingen wordt gerept, moet worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de inning van verpande vorderingen daartoe te beperken. Het is mijns inziens niet gerechtvaardigd om een dergelijke vergaande conclusie zonder nadere aanwijzingen uit de wetsgeschiedenis te trekken.
Een voorbeeld van een niet in geld luidende vordering die door de pandhouder zou kunnen worden geïnd, is een vordering tot levering van een goed. In de volgende paragraaf wordt de uitwinning, waaronder de inning, van een vordering tot levering van een goed besproken.