Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.1.3:I.1.3 Onderzoeksvragen
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.1.3
I.1.3 Onderzoeksvragen
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS499029:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
F.J. van Ommeren, ‘Algemeen wetgevingsbeleid’, in: S.E. Zijlstra e.a., Wetgeven, Deventer: Kluwer 2012, p. 105-107.
Idem, p. 107-109.
Vgl. S.E. Zijlstra, ‘Wetgeven in een democratische rechtsstaat’, in: S.E. Zijlstra e.a., Wetgeven, Deventer: Kluwer 2012, p. 75; F.J. van Ommeren, ‘Algemeen wetgevingsbeleid’, in: S.E. Zijlstra e.a., Wetgeven, Deventer: Kluwer 2012, p. 105-106.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het licht van het voorgaande is het gepast nader onderzoek te doen naar de huidige stand van het recht. Daarop heeft de eerste onderzoeksvraag dan ook betrekking:
Welke gevolgen hebben diverse wijzen van financiering voor de toepassing van de Wet OB 1968, zowel voor de verstrekker als de onderneming die de financiering ontvangt?
Onderdeel van deze onderzoeksvraag is te bezien in hoeverre de toepassing van de Wet OB 1968 bij diverse financieringswijzen consistent is, op welke punten de uitleg van die wet eventueel onduidelijk is en of inbreuken op het Unierecht bestaan. Dit komt neer op het vormen van een oordeel over de kwaliteit van de wetgeving in het deelgebied van dit onderzoek. Tot de kwaliteitseisen die voor wetgeving worden gehanteerd, behoren rechtmatigheid, verwerkelijking van rechtsbeginselen (naast het rechtsgelijkheidsbeginsel vooral het rechtszekerheidsbeginsel), en eenvoud, duidelijkheid en toegankelijkheid.1 Met uitzondering van rechtmatigheid, hetgeen een rechtsnorm is, wordt aan deze kwaliteitseisen een beginselkarakter toegedicht. Aantrekkelijk is dat bedoelde kwaliteitseisen betrekkelijk universeel zijn, ofschoon in de praktijk niet overal en op elk moment hetzelfde gewicht wordt toegekend aan de verschillende eisen.2
De tweede onderzoeksvraag houdt verband met het tweede doel van dit onderzoek, te weten het doen van een uitspraak over de vraag hoe de huidige stand van het recht zich verhoudt tot de strekking van de omzetbelasting, ook wel het rechtskarakter genoemd. De tweede onderzoeksvraag is daarom:
Hoe verhoudt het huidige recht, zoals in kaart gebracht bij de beantwoording van van de eerste onderzoeksvraag, zich tot de strekking van de omzetbelasting?
Onderdeel van deze onderzoeksvraag is in kaart brengen wat de strekking van de omzetbelasting is en bezien of rechtvaardigingen bestaan voor geconstateerde afwijkingen. Het gaat er bij de strekking van de belasting om wie en wat de (Unie)wetgever eigenlijk beoogt te belasten, los van hoe dat concreet is uitgewerkt in de Wet OB 1968 (en de Btw-richtlijn). Het achterhalen van die doelstelling is van belang om te beoordelen of de uitwerking van de belasting aan het doel beantwoordt. Het geeft tevens een richtpunt voor de beoordeling in hoeverre het huidige recht tegemoetkomt aan het in de liberale rechtsstaat fundamentele beginsel van rechtsgelijkheid.3
Ten slotte is het mijn streven enige voorstellen te doen voor oplossingen voor geconstateerde knelpunten. Dat gaat over wenselijk recht. Het is nuttig daarbij deeloplossingen te betrekken, omdat de stap naar wenselijk recht in de context van de omzetbelasting al snel groot is. Dat komt in belangrijke mate door het EU-recht: veel wijzigingen van de Wet OB 1968 vergen ook wijziging van de Btw-richtlijn van de EU. Daarvoor is unanieme instemming van alle 28 EU-lidstaten nodig (zie nader par. 1.6).