Fusies en overnames in de Europese BTW
Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/5.3.1:5.3.1 Inleiding
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/5.3.1
5.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS414514:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vanzelfsprekend kan ook een gedeelte van een bedrijfsactiviteit worden overgedragen indien de verkrijger daarmee een autonome economische activiteit kan voortzetten.
HvJ EU 10 november 2011, nr. C-444/10, V-N 2011/63.16 (Christel Schriever).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 4.3 kwam reeds aan de orde dat de geruisloze overgang het normale onderscheid dat voor de heffing van btw wordt gemaakt tussen het subject van heffing (wie wordt belast?) en het object van heffing (wat wordt belast?) doet vertroebelen. Subject en object vloeien in elkaar over wanneer de bedrijvigheid als geheel1 (het subject) gelijk is aan het object van (niet-) heffing. Dit samenvallen van subject en object heeft tot gevolg dat bij het definiëren van de reikwijdte van de regeling enerzijds een definitie mogelijk is waarbij de nadruk ligt op het subject en anderzijds een definitie mogelijk is waarbij de nadruk ligt op het object.
Figuur 1. Overgang van een algemeenheid van goederen.
Dit onderscheid lijkt op het eerste gezicht wellicht uitsluitend van theoretisch belang. Aan de hand van een voorbeeld onderbouw ik hierna wat de praktische gevolgen zijn van het onderscheid tussen een subjectbenadering enerzijds en een objectbenadering anderzijds. Het onderscheid blijkt van groot belang aangezien een keuze voor de ene benadering boven de andere van belangrijke invloed kan zijn op de reikwijdte van de geruisloze overgang bij activa-passiva-transacties. Bovendien heeft het Hof van Justitie met het arrest Christel Schriever in mijn ogen verwarring gewekt met betrekking tot de vraag welke benadering vanuit Unierechtelijk perspectief nu de voorkeur verdient.2 Ook de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt niet eenduidig.