Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/10.2.3.2
10.2.3.2 De eenzijdige rechtshandeling als verbintenisscheppende uitoefening van autonomie
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS373233:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Storme 1993, p. 117; Van Gerven en Covemaeker 2006, p. 263.
Zie Nieuwenhuis 1979, p. 72.
Nieuwenhuis 1979, p. 69.
Nieuwenhuis 1979, p. 72.
Zie hierover nr. 183.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 588 (TM), 589 (V.V. II) en 590 (MvA II) t.a.v. kwijtschelding (in navolging van Van Oven 1958, p. 409); p. 953 (V.V. II) t.a.v. derdenbeding.
Zie hierover par. 3.2.1.
Een onherroepelijk aanbod kan ook voortvloeien uit een eerder gesloten voorovereenkomst en dus deel uitmaken van een reeds bestaande rechtsverhouding, vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/98.
Dit erkent de wetgever ook, zie Parl. Gesch.Boek 6 BW, p. 588 (TM) t.a.v. kwijtschelding en p. 949 (TM) t.a.v. derdenbeding.
Dit is (voor het Duitse recht) ook geconstateerd door Kleinschmidt 2004, p. 38.
Vgl. Groene Serie Erfrecht, art. 4:201, aant. 2, B.E. Reinhartz, die overweegt dat aangezien in de meeste gevallen een legaat een voordeel oplevert voor de legataris, aangenomen wordt dat de legataris het legaat wil aanvaarden. De wetgever heeft voor een constructie gekozen waarin de legataris het vorderingsrecht direct verkrijgt en actie moet ondernemen als hij het legaat niet wil aanvaarden. Dit strookt volgens Reinhartz ook met andere potentiële bevoordelingen, bijvoorbeeld uit schenking of uit omzetting ex art. 6:5 BW.
Voor het derdenbeding stelt art. 6:253 lid 4 BW als extra voorwaarde voor deze lage aanvaardingsdrempel dat het beding onherroepelijk en jegens de derde om niet is. Art. 7:175 lid 2 BW en art. 6:253 lid 4 BWzijn van regelend recht. Er kan dus een strengere norm voor aanvaarding gesteld worden. Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 949 (TM). Perrick stelt dat de lage aanvaardingsdrempel bezwaarlijk kan zijn, en zegt te hopen dat de rechter art. 7:175 lid 2 BW in een concreet (problematisch) geval buiten toepassing zal laten wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. Asser/Perrick 4* 2013, nr. 282.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014, nr. 102. Ik ga nader in op deze vloeiende overgang tussen eenzijdige rechtshandelingen en eenzijdige overeenkomsten in nr. 419 e.v.
412. De hierboven geschetste discussie is gevoerd in de context van ofwel gebondenheid aan overeenkomsten, ofwel gebondenheid aan rechtshandelingen in het algemeen. Wat kan hieruit worden afgeleid voor de verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandeling?
Wat vóór de verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandeling pleit, is het autonomiebeginsel. Met een eenzijdige rechtshandeling oefent de handelende zijn partijautonomie uit. Meijers’ standpunt dat de wil de primaire rechtvaardiging is van gebondenheid, geldt mijns inziens nog steeds. De intentie van de handelende is het uitgangspunt, en als die intentie is gericht op het eenzijdig scheppen van verbintenissen, dan is dat het rechtsgevolg dat in beginsel moet intreden. Het gaat hierbij uiteraard wel om een naar buiten toe kenbare wil. De verklaarde wil, de belofte, is waar gebondenheid in beginsel op berust.1 Daarnaast leidt de dubbele grondslag voor gebondenheid aan rechtshandelingen ertoe dat niet alleen de verklaarde wil, maar ook het opgewekte vertrouwen kan binden. Op een eenzijdige rechtshandeling zullen anderen vertrouwen – de geadresseerde in het geval van een gerichte eenzijdige rechtshandeling en andere betrokkenen (‘derden’) bij een ongerichte eenzijdige rechtshandeling. Tot zover is de eenzijdige rechtshandeling dus een toepassing van de artikelen 3:33, 3:35 en 3:36 BW en de daarin tot uiting komende beginselen.
413. Wanneer met een eenzijdige rechtshandeling verbintenissen worden gecreëerd, speelt echter de bijzonderheid dat twee of meer mensen worden betrokken in een rechtsverhouding als gevolg van de verklaarde wil van slechts één van die personen. Dit wringt met andere beginselen, namelijk het causabeginsel en het beginsel dat je een ander geen verbintenis mag opdringen die hij niet wenst te ontvangen. Ik bespreek beide tegenwerpingen.
Tegen het aannemen van de eenzijdige rechtshandeling als verbintenisscheppend pleit dat de causa zoals Nieuwenhuis die ziet, namelijk de rechtvaardiging van de vermogensverschuiving die gelegen is in reciprociteit, ontbreekt. De beloofde prestatie staat niet, althans niet direct, in een middel-doel relatie tot een daartegenoverstaande belofte.2 Ook in Smits’ visie valt de grondslag van gebondenheid weg bij eenzijdige rechtshandelingen, nu er geen wederkerig verband van prestaties is. Ik meen echter dat dit geen onoverkomelijk bezwaar is tegen de verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandeling. Het causabeginsel is een belangrijke factor bij het bepalen van gebondenheid, maar zij is geen condicio sine qua non. Net zomin als de verklaarde wil of het vertrouwen alfa en omega van gebondenheid zijn, is de causa dat. Ook zonder wederkerig verband kan een partij zich binden. Het Nederlandse recht kent niet een causavereiste, zoals het Franse recht dat wel doet en het Engelse recht ook, in de vorm van de doctrine of consideration. In het Nederlandse recht is de principiële grondslag van gebondenheid niet een bargain, een uitruil van economisch voordeel, tussen partijen. Het Nederlandse recht verschilt op dit punt fundamenteel van het Engelse recht, waar gratuitous promises worden gezien als irrationeel en de vordering van de eenzijdig bevoordeelde als ‘unworthy of enforcement’, wat eenzijdige beloften categorisch niet-afdwingbaar maakt. Het causavereiste is in het Nederlandse recht afgeschaft, wat resteert is het causabeginsel.3 Zoals Nieuwenhuis al opmerkt, geldt dat beginsel niet onbeperkt. Zijn werkingssfeer wordt beperkt door andere beginselen.4 Het ontbreken van causa betekent mijns inziens dat autonomie en vertrouwen strenger getoetst moeten worden. Minder snel mag in een concreet geval worden aangenomen dat de verklarende is gebonden, omdat een homo economicus zich niet snel zal willen binden als hij in ruil daarvoor geen voordeel verkrijgt, en een wederpartij daar dus ook minder snel op zal mogen vertrouwen. Dat brengt echter niet mee, dat het ondenkbaar is dat een dergelijk geval zich voor zal doen of dat het onwenselijk is om in die gevallen aan de wilsverklaring bindende kracht toe te kennen.
Bovendien betekent het feit dat er geen direct wederkerig verband is, niet dat er geen indirecte (rationele, economische) rechtvaardiging is voor een eenzijdige rechtshandeling. Een voorbeeld is de 403-verklaring. Een moedermaatschappij stelt zich aansprakelijk voor schulden van haar dochtermaatschappij, zonder dat de begunstigden van die verklaring, de schuldeisers van de dochter, in ruil daarvoor een prestatie hoeven te verrichten. Er zijn wel degelijk voordelen voor de moedermaatschappij: een gunstiger jaarrekeningregime voor het concern, bevordering van de positie van haar dochtermaatschappij doordat wederpartijen zich gerustgesteld voelen met haar te contracteren en het voorkoment van het verspreiden van concurrentiegevoelige informatie.
414. Eén van de functies van het Engelsrechtelijke consideration-vereiste is te bepalen welke beloften het ‘waard zijn’ om afdwingbaar te zijn, aangezien de handhavingsmogelijkheden van het rechtssysteem niet onuitputtelijk zijn.5 In de Engelse rechtsliteratuur wordt opgemerkt dat andere rechtsstelsels dan het Engelse een ander criterium hanteren, maar dat in geen enkel rechtsstelsel iedere belofte een afdwingbaar recht schept. De toets die het Nederlandse recht aanlegt, zijn de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Uit een verklaring moet blijken dat de handelende beoogt eenzijdig een verbintenis te scheppen. Als de verklarende zich er later op beroept dat zijn wil en verklaring uiteenlopen, kan in geval van een gerichte eenzijdige rechtshandeling de geadresseerde aanvoeren dat hij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de verklaring. Het feit dat de verklarende geen direct vermogensvoordeel verkrijgt, leidt ertoe dat de geadresseerde er niet snel op mag vertrouwen dat de verklarende eenzijdig een verbintenis ten laste van zichzelf schept. Ook bij uitleg van eenzijdige rechtshandelingen zal hier rekening mee kunnen worden gehouden.
Een tweede argument tegen de verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandeling is het beginsel dat de wetgever naar voren brengt. Een persoon mag een ander geen geschenk opdringen dat hij niet wenst te aanvaarden.6 Dit is ook de ratio van de restrictieve benadering in het Duitse recht, die tot uiting komt in §311 BGB. De Privatautonomie die een persoon de mogelijkheid geeft tot Selbstbestimmung, het naar eigen inzicht vormgeven van zijn rechtspositie, mag niet leiden tot Fremdbestimmung, het beïnvloeden van andermans rechtspositie zonder dat die persoon daarin wordt gekend.7 Dit is een reëel bezwaar. In het hiernavolgende onderzoek ik hoe aan dit bezwaar tegemoet kan worden gekomen.
415. De voorbeelden van verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandelingen kunnen worden onderverdeeld naar gelang ze verbintenissen scheppen ten laste van de partij die de rechtshandeling verricht danwel ten laste van een ander. Een tweede grond waarop onderscheid kan worden gemaakt is of de verbintenis ontstaat in de context van een reeds bestaande rechtsverhouding, of dat met het verrichten van de eenzijdige rechtshandeling een nieuwe rechtsverhouding tot stand wordt gebracht, waar onmiddellijk een verbintenis uit voortvloeit.
Ten laste van de handelende
Vernietiging
Ontbinding
Opzegging van een overeenkomst
Opzegging van een beperkt recht
Onherroepelijk aanbod8
Uitloving
403-verklaring
Ten laste van een ander
Vernietiging
Ontbinding
Opzegging van een overeenkomst
Opzegging van een beperkt recht
Legaat
Ongedaanmaking van de wettelijke verdeling van de nalatenschap.
Verbintenissen die ten laste komen van de partij die de rechtshandeling verricht
416. Het bezwaar van de wetgever ziet op de aantasting van iemands autonomie doordat hem verbintenissen worden opgedrongen. Dit is inderdaad onwenselijk. Het zou mijns inziens echter niet tot de consequentie moeten leiden dat eenzijdige rechtshandelingen geen verbintenissen kunnen scheppen. Vanwege het hierboven besproken principe dat de homo economicus in beginsel zal doen wat gunstig is voor zijn vermogen, zal het een uitzondering zijn dat iemand een begunstiging niet wil.9 Goed voorstelbaar daarentegen is dat de verklarende zich beroept op het feit dat geen verbintenis is gecreëerd, omdat hij van gedachten is veranderd. Bedoeld wordt de geadresseerde van de verklaring te beschermen, maar het effect is juist voor hem ongunstig.10
Een eenzijdig begunstigde kan uiteraard wel reden hebben om een vorderingsrecht niet te willen. Dit kunnen fiscale of economische redenen zijn, maar ook morele of persoonlijke redenen omdat iemand zich, zoals ik hiervoor al stelde, nu eenmaal niet altijd gedraagt als een homo economicus. De uitzondering moet echter niet tot regel verheven worden. De autonomie van de personen die tegen hun zin een voordeel krijgen opgedrongen, zou op een andere manier kunnen worden gediend. In plaats van aanvaarding te eisen, kunnen zij de mogelijkheid krijgen het vorderingsrecht achteraf met terugwerkende kracht te weigeren. Dit is de constructie die nu bij het legaat wordt gehanteerd.11 Het is ook op een aantal plaatsen de facto de bescherming van de begunstigde als wel, conform de wens van de wetgever, een contract wordt vereist voor het toekennen van een voordeel aan een ander. Er zijn verschillende rechtsfiguren waarmee een persoon een ander begunstigt zonder daar een directe tegenprestatie voor te krijgen, waarbij de wet aangeeft dat het om (eenzijdige) overeenkomsten gaat: schenking (art. 7:175 BW), kwijtschelding (art. 6:160 BW), derdenbeding (art. 6:253 BW) en het omzetten van een natuurlijke verbintenis in een afdwingbare (art. 6:5 BW). In al deze gevallen geldt dat de overeenkomst tot stand komt, als het aanbod ter kennis is gekomen van de begunstigde en deze het niet onverwijld heeft afgewezen.12 Met andere woorden: de begunstigde is gebonden als hij niet weigert. Dezelfde constructie kan toegepast worden bij eenzijdige rechtshandelingen. Door de lage drempel voor aanvaarding, is de grens tussen eenzijdig begunstigende overeenkomsten en eenzijdige verbintenisscheppende rechtshandeling nauwelijks waarneembaar.13
Verbintenissen die ten laste komen van een ander dan de handelende
417. Uit een aantal eenzijdige rechtshandelingen kunnen verbintenissen voortvloeien die ten laste komen van een ander dan degene die de rechtshandeling verricht.
Van deze eenzijdige rechtshandelingen vinden een aantal mijns inziens hun rechtvaardiging in het feit dat de verbintenis weliswaar ontstaat als een direct gevolg van de eenzijdige rechtshandeling, maar voortvloeit uit een reeds bestaande, meerzijdige rechtsverhouding. Met het uitbrengen van de eenzijdige wilsverklaring wordt een uit de onderliggende rechtsverhouding voortvloeiend recht uitgeoefend.
Twee gevallen kunnen niet op deze manier gerechtvaardigd worden, namelijk het legaat en de ongedaanmaking van de wettelijke verdeling van een nalatenschap. Voor de ongedaanmaking van de wettelijke verdeling geldt dat de erfgenamen na de ongedaanmaking ervoor kunnen kiezen de nalatenschap beneficiair te aanvaarden of te verwerpen, waardoor ze niet aansprakelijk worden. Met een legaat kan de erflater over zijn graf heen regeren. De verbintenissen moeten nagekomen worden door de erfgenaam, maar komen uiteindelijk ten laste van het vermogen van de erflater, dat is samengesmolten met het vermogen van de erfgenaam door de opvolging onder algemene titel. De erfgenaam is alleen slechter af, als de schulden van de nalatenschap de baten overstijgen. De erfgenaam kan de nalatenschap met terugwerkende kracht weigeren. Denkbaar was een systeem geweest waarin de erfgenaam de nalatenschap eerst moet aanvaarden voordat hij opvolgt in het vermogen, maar de wetgever heeft het van belang geacht dat een nalatenschap nooit zonder rechthebbende is.
418. Met het bovenstaande heb ik willen aangeven dat er maar een beperkt aantal eenzijdige rechtshandelingen is dat een verbintenis schept ten laste van een ander, en dat er in die gevallen een rechtvaardiging aan ten grondslag ligt. Er hoeft mijns inziens geen algemeen aanvullend criterium te worden gesteld aan het eenzijdig scheppen van een verbintenis, naast de toets aan art. 3:33 en 3:35 BW. Wel moet de bron van verbintenissen voldoen aan de algemene norm die Smits formuleerde, namelijk dat sprake is van een verbintenis die past in het stelsel van de wet, omdat zij in overeenstemming is met de maatschappelijke overtuiging en de doelen die met het vermogensrecht worden nagestreefd.