Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.11
9.11 Organisatieplicht: implicaties voor stelplicht en bewijslast
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS598504:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het bewijs van kennis in het algemeen par. 2.7.
HR 20 november 1987, NJ 1988/500 (Timmer/Deutman); HR 7 september 2001, NJ 2001/615 (Epiduraal anaesthesie); HR 15 juni 2007, NJ 2007/335 (Elleboogzenuw). Buiten het gebied van medische fouten is deze verzwaarde motiveringsplicht bijvoorbeeld aangenomen in HR 7 september 2001, NJ 2001/616 (Staat/H), r.o. 3.5.2 (over een rapport dat een werkgever had laten opstellen en ter rechtvaardiging van het ontslag had gebruikt, maar weigerde te verstrekken aan de ontslagen werknemer die moest bewijzen dat het ontslag kennelijk onredelijk was); HR 4 april 2014, NJ 2014/368, r.o. 3.6.2 en 3.6.6 (gemeente moet als wegbeheerder haar verweer dat de financiële middelen te beperkt waren om de vereiste maatregelen te treffen, voldoende onderbouwen). Zie voor verdere verwijzingen naar voorbeelden voetnoot 102 van de conclusie van A-G Wissink bij HR 27 november 2015, NJ 2016/245 (Ponzi-zwendel). Zie over de ‘verzwaarde betwistplicht’ ook Lewin 2007.
Asser 2014, p. 229 (par. 9.3.5.3).
Hof Den Haag 18 maart 2014, JOR 2014/136 (Ponzi-Zwendel), r.o. 51. Het hiertegen gerichte cassatiemiddel (middelonderdeel 2e) is door de Hoge Raad verworpen onder verwijzing naar art. 81 RO, zie HR 27 november 2015, NJ 2016/245.
Zie in dit verband ook HR 22 november 2013, NJ 2014/114 (Zandvliet/Vlielander). Daarin oordeelde de Hoge Raad dat het bestaan van de volmachtgever een omstandigheid is waarmee degene die als gevolmachtigde handelt bij uitstek bekend is of behoort te zijn. Uit de strekking van art. 3:70 BW en de billijkheid volgt dat op degene die als gevolmachtigde heeft gehandeld, de bewijslast rust dat hij beschikte over een toereikende volmacht. Zo ver zou ik voor de schending van de organisatieplicht niet willen gaan.
Zie voor een geval waarin een gebrek in het bouwwerk niet een “zodanig overtuigende indicatie” vormde: OLG Jena 27 februari 2001, BeckRS 2001, 10506.
361. In het grootste deel van de gevallen waarin moet worden beoordeeld welke kennis aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, zal het de wederpartij zijn die zich beroept op het rechtsgevolg van die kennis. Roept de wederpartij de actio pauliana in, dan beroept zij zich op het rechtsgevolg van de wetenschap van benadeling bij de rechtspersoon; beroept de wederpartij zich op verjaring in de zin van art. 3:310 BW, dan beroept zij zich op het rechtsgevolg van de kennis van de schade en de aansprakelijke persoon die bij de rechtspersoon aanwezig was; stelt de wederpartij dat de klachttermijn van art. 6:89 of 7:23 BW is verstreken, dan beroept zij zich op het rechtsgevolg van het bestaan van kennis over het gebrek bij de rechtspersoon. Uit art. 149 en 150 Rv volgt dat de wederpartij haar stelling over de kennis bij de rechtspersoon voldoende zal moeten onderbouwen en dat zij, bij een voldoende betwisting door de rechtspersoon, haar stelling zal moeten bewijzen. In geval van kennisversplintering zal de rechtspersoon als verweer steeds stellen dat de handelende functionaris, en daarmee de rechtspersoon, niet over de relevante kennis beschikte. De wederpartij zal daar tegenover dan stellen dat de wetende functionaris de kennis wel had of dat de kennis wel in een informatiesysteem van de rechtspersoon aanwezig was. Hij draagt daarvoor de stelplicht en het bewijsrisico.1 Indien wordt uitgegaan van het organisatiebeginsel, dan zal de wederpartij tevens moeten stellen dat de rechtspersoon niet aan zijn organisatieplicht heeft voldaan. Zijn de omstandigheden zodanig dat toerekening van kennis wegens schending van de organisatieplicht plaatsvindt op basis van risico, dan zal de wederpartij ermee kunnen volstaan om voldoende onderbouwd te stellen hoe in een behoorlijke organisatie met de informatie zou zijn omgegaan. Vindt echter een toerekening plaats op basis van schuld, dan zal de wederpartij voldoende onderbouwd moeten stellen waarom de organisatie van informatiestromen bij de rechtspersoon in dit concrete geval tekortschoot.
362. En dan kan het lastig worden voor de wederpartij. De feiten die bepalen hoe de rechtspersoon is georganiseerd, liggen typisch in de eigen sfeer van de rechtspersoon. Het is voor de wederpartij bepaald niet eenvoudig om gemotiveerd te stellen wat er gebrekkig is aan het kennismanagementsysteem van de rechtspersoon of wat er ontbreekt in de opleiding van diens medewerkers. De wederpartij zal vaak niet eens voldoende informatie over de interne organisatie van de rechtspersoon voorhanden hebben om een verzoek ex art. 843a Rv tot overlegging van bescheiden inzake die organisatie voldoende te motiveren. Zij loopt dan het risico dat haar verzoek wordt gekwalificeerd als een ‘fishing expedition’ en daarom wordt afgewezen. De rechtspersoon zal overigens ook niet enthousiast zijn over een bewijsopdracht aan de wederpartij op dit punt: informatie over de interne organisatie van de rechtspersoon is vaak bedrijfsvertrouwelijk of concurrentiegevoelig. De rechter heeft echter wel de mogelijkheid om de stelplicht en het bewijsrisico van de wederpartij te verlichten.
Ten eerste kan de rechter een verzwaarde motiveringsplicht ten aanzien van het verweer op de rechtspersoon leggen. Een dergelijke verzwaarde motiveringsplicht houdt in dat, wanneer de wederpartij stelt dat de informatie-organisatie van de rechtspersoon gebrekkig was, de rechtspersoon voldoende feitelijke gegevens moet verschaffen ter motivering van zijn betwisting van die stelling, teneinde de wederpartij aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele bewijslevering. Een dergelijke verzwaarde motiveringsplicht wordt vooral, maar niet uitsluitend, aangenomen in geval van beroepsaansprakelijkheid voor medische fouten.2 De behandelaar moet feiten aandragen die voldoende terzake dienend en concreet zijn, in die zin dat de patiënt door die gegevens in staat wordt gesteld te beoordelen op welk punt hij zijn eventuele bewijslevering moet richten.3 Het Hof Den Haag overwoog in een arrest uit 2014 dat hogere eisen kunnen worden gesteld aan de gehoudenheid van een bank om haar verweer te motiveren dat haar medewerkers bepaalde kennis niet hadden. Reden daarvoor was dat het ging om door de wederpartij te leveren bewijs van feiten en omstandigheden die zich geheel binnen de sfeer van de bank hadden afgespeeld.4 Een dergelijke overweging gaat mijns inziens eveneens op voor het bewijs dat kennis niet is doorgegeven vanwege een gebrekkige organisatie.5 In geval van kennisversplintering heeft de rechter wat mij betreft veel ruimte om een verzwaarde motiveringsplicht op de rechtspersoon leggen.
Een tweede mogelijkheid van de rechter om de stelplicht en het bewijsrisico van de wederpartij te verlichten, is het voorshandse oordeel. Uit het feit dat de informatie niet bij de handelende functionaris terecht is gekomen (althans kennelijk niet door hem is gebruikt), leidt de rechter dan het vermoeden af dat de rechtspersoon de interne informatie-uitwisseling onvoldoende had georganiseerd. Hij neemt dan voorshands aan dat de rechtspersoon niet heeft voldaan aan zijn organisatieplicht en laat de rechtspersoon toe tot tegenbewijs.
363. In het Duitse arrest Dachpfetten wijdt het BGH enkele overwegingen aan stelplicht in geval van een gestelde schending van de organisatieplicht.6 Volgens het BGH is het in een geval zoals in Dachpfetten aan de orde was, voldoende dat de wederpartij die zich beroept op arglistige verzwijging stelt dat de aannemer het bouwproces onvoldoende heeft georganiseerd en dat daardoor het gebrek in het bouwwerk niet aan het licht is gekomen. Volgens het BGH kan de aard van het gebrek een zodanig overtuigende indicatie vormen voor een ontoereikende organisatie, dat dit geen verdere onderbouwing behoeft. Dat kan het geval zijn bij een ernstig gebrek aan een bijzonder belangrijk werk, maar ook bij een bijzonder opvallend gebrek aan een minder belangrijk bouwdeel. Het is vervolgens aan de aannemer om te stellen hoe hij in het onderhavige geval het toezicht op en de controle van de werkzaamheden ten behoeve van de oplevering heeft georganiseerd. Of een verzwaarde stelplicht wordt opgelegd, hangt dus af van de omstandigheden van het geval.7 In Pkw8 kreeg de koper de gelegenheid om (na verwijzing) te bewijzen dat de inkoopmedewerker de juiste kilometerstand níet vergeten was toen hij het formulier invulde. In dit arrest overwoog het BGH dat het verwijzingshof geen onvervulbare eisen mocht stellen aan het te leveren bewijs, nu de koper een innerlijk feit moest bewijzen binnen de bedrijfssfeer van de autohandelaar. In Amtsblatt lagen de stelplicht en de bewijslast op de bank die zich beriep op haar onbekendheid met de insolventie van de schuldenaar.9 Het BGH overwoog dat het aan de bank was om te stellen welke organisatiestructuren zij had aangebracht om informatie over de insolventie van haar klanten tot zich te nemen en door te geven. In het onderhavige geval had de bank alleen gesteld wat zij niet had gedaan, namelijk dat zij het Amtsblatt niet had ontvangen. Van het BGH mocht het hof na verwijzing daarom uitgaan van de juistheid van de stelling van de curator dat het bestuur en andere Wissensvertretern van de bank kennis droegen van de tegen de schuldenaar getroffen maatregelen.