Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/4.2.1:4.2.1 Profijtbeginsel
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/4.2.1
4.2.1 Profijtbeginsel
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS597339:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 mei 1999, NJ 1999/733 (B./K.), r.o. 4.1.
PG Boek 6, p. 269.
Tjittes 2001b, p. 39-40.
Mijnssen 1978, p. 54.
Mijnssen 1978, p. 26-27.
Schulz 1990, p. 480; Waltermann 1992, p. 197; Beuthien 1999, p. 3587; Buck 2001, p. 131.
Koller 1998; Faßbender & Neuhaus 2002, p. 1259.
Ook kritisch op het profijtbeginsel ten aanzien van gedragingen van hulppersonen (deels om andere redenen): Schut 1963, p. 295 en Mijnssen 1978, p. 26-27.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
91. Bij de aansprakelijkheid voor hulppersonen formuleert de Hoge Raad het profijtbeginsel als volgt: de debiteur breidt door het inschakelen van hulppersonen zijn bedrijfsactiviteiten uit en heeft dus van die inschakeling profijt. Daar dient dan tegenover te staan dat hij voor fouten van de hulppersonen aansprakelijk is.1 De parlementaire geschiedenis noemt het profijtbeginsel als reden voor de aansprakelijkheid voor hulppersonen bij de uitvoering van een verbintenis, maar niet bij de aansprakelijkheid voor fouten van hulppersonen.2 Tjittes ziet het profijtbeginsel ook als ratio voor de toerekening van kennis aan organisaties.3 Mijnssen, die schrijft over hulppersonen die ten behoeve van een principaal bijdragen aan de totstandkoming van overeenkomst, stoelt de toerekening van hun kennis aan de principaal eveneens op het profijtbeginsel.4 Waar het gaat om de aansprakelijkheid van de principaal voor fouten van hulppersonen is hij echter juist kritisch op het profijtbeginsel.5 In het Duitse recht formuleert men het profijtbeginsel in het kader van de toerekening van kennis doorgaans als volgt: wie de voordelen van arbeidsdeling geniet, moet de nadelen op de koop toenemen, althans verantwoordelijk zijn voor de vermijding van die nadelen.6 Kennisversplintering is zo’n nadeel. Het BGH ziet het profijtbeginsel als een van de centrale beginselen die ten grondslag liggen aan de toerekening van kennis.7 Dit is ook de mening van het merendeel van de Duitse schrijvers.8 Er zijn echter ook krachtige tegengeluiden.9
92. Ik heb zo mijn twijfels bij het profijtbeginsel, ook als ratio voor de toerekening van gedragingen. Uiteraard schakelt de debiteur hulppersonen in om daarvan profijt te trekken, maar de wederpartij profiteert vaak ook. Veel diensten en producten kunnen nu eenmaal niet geleverd worden zonder de samenwerking van meerdere specialisten. Een huis dat door één persoon moet worden ontworpen en gebouwd – als dat al mogelijk is – zal een onaanvaardbaar lange levertijd hebben en zal waarschijnlijk allerlei gebreken vertonen. De inschakeling van hulppersonen door de debiteur zal veelal efficiënter zijn en de wederpartij dus tijd en geld schelen. Indien de wederpartij de opdracht niet zou gunnen aan één debiteur die zijn eigen hulppersonen uitzoekt, maar zelf een groep individuele opdrachtnemers zou moeten samenstellen, zou dat de wederpartij bijvoorbeeld veel tijd kosten. Wanneer die door de wederpartij verzamelde individuele opdrachtnemers bovendien niet al gewend zijn om als collega’s samen te werken, kunnen communicatiestoornissen en gebrek aan routine zorgen voor een slechtere dienstverlening. De wederpartij zal de debiteur soms juist uitzoeken omdat hij meerdere specialisten in huis heeft. Soms zijn leden van de bedrijfsleiding – wiens handelingen gelden als ‘eigen handelingen’ van de rechtspersoon, en niet (alleen) als handelingen van hulppersonen – ook helemaal nie in staat of bevoegd om het werk te verrichten dat de wederpartij verlangt.
Denk aan het programmeren van software of het besturen van een vliegtuig.10 Daar komt bij dat aan sommige maatschappelijk gewenste bedrijfsactiviteiten, zoals die van banken en verzekeraars, zodanige wettelijke eisen worden gesteld dat die niet door één persoon kunnen worden uitgevoerd. Zodra bedrijfsactiviteiten over meerdere individuen verspreid raken, raakt ook kennis over meerdere individuen verspreid. Tot slot wordt ook aan publiekrechtelijke rechtspersonen en aan non-profitorganisaties de kennis van hun medewerkers toegerekend. Daarvan kan niet zomaar worden gezegd dat zij medewerkers inschakelen voor hun eigen profijt. Kortom: het profijtbeginsel biedt mijns inziens geen stevige basis om het risico op kennisversplintering bij de rechtspersoon te leggen.