Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/7.4.1
7.4.1 Inleiding
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS420638:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel ook niet is uitgesloten dat wanneer eenmaal prejudiciële vragen worden gesteld met betrekking tot het onderwerp het ‘hek van de dam’ is.
Zie bijvoorbeeld Dominique Villemot, ‘Holding Companies and the Right to Deduct Input VAT’, Derivatives and Financial Instruments March/April 2008. In Oostenrijk is bepaald dat juridische fusies buiten de reikwijdte van de btw blijven indien op basis van de regels op het gebied van de directe belastingen voor stille reserves geen heffingsbeperking bestaat. Zie paragraaf 6(4) UmgrStG. Zie met betrekking tot de toepassing van artikel 19 Btw-richtlijn bij een splitsing, BFH 3 december 2015, V R 36/13.
Anders dan bij de btw-behandeling van activa-passiva-transacties en aandelenoverdrachten, is aan het Hof van Justitie tot op heden geen enkele vraag voorgelegd met betrekking tot het toepassingsbereik van de btw ten opzichte van de juridisch fusie of splitsing.
Aangenomen zou daarom kunnen worden dat de btw-behandeling van juridische fusies en splitsingen in de verschillende lidstaten niet tot grote problemen leidt. Daartegenover lijkt het aannemelijk dat gezien de tijdsdruk die veelal gemoeid is met fusieprocessen, eventuele btw-gevolgen veelal voor lief zullen worden genomen, waardoor op dit punt niet snel geschillen met belastingautoriteiten zullen ontstaan.1
Vanuit zowel Unierechtelijk als Nederlands perspectief kan evenwel bezwaarlijk worden vastgesteld dat de btw-gevolgen van de juridische fusie en splitsing, waaronder de mogelijke toepassing van artikel 19 Btw-richtlijn, boven twijfel verheven zijn. In een aantal lidstaten wordt het standpunt gehuldigd dat artikel 19 Btw-richtlijn (onder voorwaarden) van toepassing is.2 De Nederlandse wetgever, alsmede de Staatssecretaris van Financiën als beleidsmaker, lijken het standpunt te huldigen dat artikel 37d Wet OB 1968 in beginsel steeds toepassing zal vinden. In de (beperkte) literatuur over het onderwerp wordt evenwel ook het standpunt verdedigd dat toepassing van artikel 19 Btw-richtlijn, nooit aan de orde kan zijn.
Hierna onderzoek ik de btw-gevolgen van de overgang van een onderneming door middel van een juridische fusie of splitsing. Ten eerste onderzoek ik de btw-gevolgen van een juridische fusie (paragraaf 7.5) of splitsing (paragraaf 7.6) in algemene zin. Daarbij is in het bijzonder de vraag aan de orde of een vermogensovergang ingevolge een juridische fusie of splitsing binnen de reikwijdte van de btw-heffing plaatsvindt. Vervolgens ga ik in op de vraag naar mogelijke toepassing van de geruisloze overgang.