Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/3.7
3.7 Wetenschap is bij de rechtspersoon een relatief begrip
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS601925:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Uitzonderingen zijn mogelijk wanneer de functionaris zijn kennis heeft opgedaan in een andere hoedanigheid, bijvoorbeeld in privé of bij een vorige werkgever.
Of informatie die binnen de rechtspersoon beschikbaar is of is geweest.
Zie over deze problematiek uitgebreid par. 11.6.
HR 15 februari 1991, NJ 1991/493.
Conclusie A-G bij HR 15 februari 1991, NJ 1991/493, par. 3.12.
Dit moest na verwijzing worden vastgesteld.
Vermoedelijk doelde de Hoge Raad niet zozeer op het risico op verwarring, maar op het risico dat de acceptatieafdeling op het verkeerde been zou worden gezet. Verwarring zou de verzekeraar juist reden tot onderzoek hebben gegeven. Zie over dit aspect De Graaf 2000, p. 106-107.
Voordeel van het toepassen van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid is wel dat dit de mogelijkheid biedt om, zoals het hof hier had gedaan, een gedeeltelijke uitkering toe te wijzen in plaats van de uitkering volledig af te wijzen. Zie hierover par. 7.10.
Noot onder NJ 1991/493.
De Graaf 2000, p. 106.
Zie daarover in meer detail par. 9.4.
82. Neemt een natuurlijke persoon in het kader van een transactie kennis van een feit, dan heeft hij die kennis ‘automatisch’ ook bij latere transacties. Hij kan zich daar niet moedwillig van ontdoen, hij kan hooguit de informatie vergeten. Bij natuurlijke personen is kennis tot op zekere hoogte een biologisch en absoluut gegeven. Voor een rechtspersoon ligt dat anders. Neemt een functionaris kennis van een feit en gaat hij vervolgens mét die kennis handelen voor de rechtspersoon, dan handelt in beginsel1 de rechtspersoon met die kennis. Maar verricht vervolgens een andere functionaris een handeling namens de rechtspersoon, dan heeft de rechtspersoon in het kader van die tweede handeling niet automatisch diezelfde kennis. Toegerekende kennis is altijd kennis van een bepaald individu2 die wordt toegerekend in een bepaalde situatie. Toerekening ten behoeve van een andere situatie waarbij een andere functionaris optreedt, behoeft een rechtvaardiging. Wanneer een rechter oordeelt dat de kennis van X in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als kennis van de rechtspersoon, is dat niet overal en voor altijd, maar in de omstandigheden van het gegeven geval. Bij rechtspersonen is wetenschap dus een relatief begrip.
83. Bij rechtspersonen is het naar mijn overtuiging zelfs mogelijk om dezelfde kennis van dezelfde functionaris in de ene situatie wel toe te rekenen en in de andere niet. In de ene verhouding kan de risicoverdeling immers anders liggen dan in de andere. Ik illustreer dat met een fictief voorbeeld. Rechtsbijstandsverzekeraar A verschaft rechtsbijstand aan haar verzekerde B. B is verwikkeld in een gerechtelijke procedure tot revindicatie van een schilderij van bezitter C. B wordt in dit geschil bijgestaan door D, een jurist in dienst van A. In schema:
Op enig moment besluit de directie van A om ter decoratie van de directiekamer een schilderij te kopen. Het oog van de directie valt op het schilderij van C; C vertelt de directie niet over de claim van B. C verkoopt en levert het schilderij aan rechtsbijstandsverzekeraar A. B zal het schilderij vervolgens moeten gaan revindiceren van haar eigen rechtsbijstandsverzekeraar. Denkbaar is dat A zich jegens B zal kunnen beroepen op haar goede trouw (art. 3:86 BW). B zal mogelijk stellen dat de kennis van jurist D heeft te gelden als kennis van de verzekeraar, zodat A bij de aankoop niet te goeder trouw was. Van de directie van de verzekeraar mag echter niet zonder meer worden verwacht dat die inhoudelijke kennis draagt van elk geschil waarvoor de verzekeringsmaatschappij de rechtsbijstand financiert. De kennis van D mag in dit verband niet aan A worden toegerekend. Maar hebben B en A een geschil over een nalatigheid van D (stel dat die in de revindicatieprocedure een beroepstermijn laat verlopen), dan geldt A wél als kennis hebbend van B’s aanspraak op het schilderij. Dit betekent dat A in dezelfde feitenconstellatie jegens B zowel wetend als onwetend kan worden geacht.
84. Een ander voorbeeld is de verkoopmanager die zijn werkgever (een rechtspersoon) oplicht. De verkoopmanager laat de wederpartij van de rechtspersoon op zijn privérekening betalingen doen voor zaken die de rechtspersoon aan de wederpartij heeft geleverd. Wanneer de rechtspersoon de wederpartij aanspreekt tot betaling, zal die zich er onder omstandigheden op kunnen beroepen dat mét de verkoopmanager ook de rechtspersoon wist van het betaaladres en dat hij als derde er daarom op mocht vertrouwen dat de rechtspersoon met die betaalwijze instemde. Spreekt de rechtspersoon echter de (inmiddels ontslagen) verkoopmanager aan tot vergoeding van de schade, dan zal de verkoopmanager niet zo’n zelfde beroep toekomen. Indien de oplichting meer dan vijf jaar eerder heeft plaatsgevonden, zal een betoog van de verkoopmanager dat mét hem de rechtspersoon van meet af aan bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon, mijns inziens evenmin kunnen slagen.3 Een beroep op verjaring door de derde kan echter wel slagen.
85. Gevallen zoals deze kunnen leiden tot de conclusie dat de rechtspersoon in de ene verhouding het relevante feit wel kende en in de andere verhouding niet. Er is soms ook een andere mogelijkheid: de rechtspersoon wordt weliswaar in beide situaties wetend geacht, maar het beroep van de wederpartij (in het voorbeeld hiervoor: de verkoopmanager) op het rechtsgevolg van die kennis is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW). Iets dergelijks gebeurde in het arrest Leukemie.4 In die zaak had een verzekeringsagent de heer Van Scharenburg en mevrouw Kappe geholpen met de aanvraag van een levensverzekering. De agent, een werknemer van de verzekeraar, wist dat mevrouw Kappe leed aan leukemie. De door de agent ingevulde en door de aanvragers ondertekende gezondheidsverklaring vermeldde dat echter niet. Op het moment dat de zaak aan de Hoge Raad werd voorgelegd, stond (nog) niet vast of de aanvragers hun handtekening hadden gezet vóórdat de verzekeringsagent het formulier invulde of daarna. Nadat Kappe aan haar ziekte was overleden, weigerde de verzekeraar uit te keren aan Van Scharenburg. Indien de verzekeraar bij het aangaan van de verzekering wist van de ziekte van Kappe, was een dergelijke weigering niet toegestaan. Het hof oordeelde dat de wetenschap van de verzekeringsagent rechtens volledig moest gelden als wetenschap van de verzekeraar zelf. Omdat de schriftelijke informatie die via de gezondheidsverklaring aan de verzekeraar was verstrekt, zo verregaand leugenachtig was, verhinderde volgens het hof de goede trouw echter dat Van Scharenburg een volledige claim jegens de verzekeraar geldend zou kunnen maken. Van Scharenburg betoogde in het cassatiemiddel dat, nu de verzekeraar via de agent al wist dat Kappe aan leukemie leed, de gezondheidsverklaring rechtens niet tot consequentie “kon” hebben dat Van Scharenburg in strijd met de goede trouw zou handelen door het volledige verzekerde bedrag op te vorderen. De verzekeraar was immers bekend met de ziekte. Dit betoog vond weerklank bij A-G Asser, volgens wie het ontzeggen aan Van Scharenburg van een beroep op de volle uitkering zou neerkomen op “een straf op een zonde die zonder effect is gebleven”.5 De Hoge Raad sanctioneerde echter het oordeel van het hof. Indien Van Scharenburg en Kappe de gezondheidsverklaring hadden ondertekend nadat die door de agent was ingevuld,6 hadden zij moeten begrijpen dat daardoor verwarring zou worden gewekt bij het onderdeel van de organisatie dat met de acceptatie van het risico was belast.7 In dat geval zouden Van Scharenburg en Kappe zozeer zijn tekortgeschoten in hun verplichting om voor de totstandkoming van de overeenkomst ook met de gerechtvaardigde belangen van de verzekeraar rekening te houden, dat Van Scharenburg (in de terminologie van het oud BW) in strijd met de goede trouw handelde door het verzekerde bedrag ten volle op te vorderen.
86. Indien de procedure anders was gevoerd, had de Hoge Raad naar mijn mening eveneens kunnen oordelen dat, in de relatie tussen Van Scharenburg en de verzekeraar, in de gegeven omstandigheden de kennis van de verzekeringsagent niet volstond om de verzekeraar als wetend te doen gelden. Een oplossing via de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid was dan niet nodig geweest.8 Hier was dat echter geen optie. Tegen het oordeel dat wetenschap van de agent rechtens volledig te gelden had als wetenschap van de verzekeraar was geen klacht gericht. In cassatie stond dit dus vast.
87. Van Schilfgaarde kan met dit arrest goed leven, omdat de wetenschap van de verzekeraar “een puur technische” wetenschap was.9 De Graaf heeft er moeite mee. Voor hem is niet te verenigen dat de verzekeraar weet van de ziekte en tegelijkertijd een juiste voorstelling van zaken mist. De Graaf zou niet voor zijn rekening willen nemen dat ‘rechtens weten’ en zwakker weten is dan ‘reëel weten’, ook nu ‘reëel weten’ zich niet laat vaststellen, zodat elk bewezen weten per saldo ‘rechtens weten’ is.10 De opmerkingen van De Graaf tonen naar mijn mening hoe weinig vruchtbaar het is om te vragen ‘wat de rechtspersoon weet’ wanneer vast staat dat het individu dat binnen de rechtspersoon de relevante beslissing heeft genomen, van niets wist. Dergelijk taalgebruik leidt tot verwarring. Die kan worden voorkomen indien men de vraag anders formuleert, namelijk hetzij als ‘komt de rechtspersoon een beroep toe op die onwetendheid?’ hetzij als ‘komt de wederpartij een beroep toe op de kennis van de wetende functionaris binnen de rechtspersoon?’.11