Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/433:433 Mag de pandgever zich voegen?
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/433
433 Mag de pandgever zich voegen?
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 04-03-2026
- Datum
04-03-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD48662:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zoals in par. 1.4 is aangekondigd, laat ik de toepassing van dergelijke algemene leerstukken buiten beschouwing.
Zie Van Rossem/Cleveringa 1972, art. 285, aant. 1.
HR 22 mei 1992, NJ 1992, 512 (Oorthuizen/Huige en Nederland).
Vgl. Van Rossem/Cleveringa 1972, art. 285, aant. 4 en de daar genoemde rechtspraak.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de pandgever en de pandhouder beheerst, is de pandhouder er bij de uitoefening van zijn bevoegdheid om de vordering in rechte te innen jegens de pandgever toe gehouden om in voldoende mate rekening te houden met diens belangen.1 In verband met de ingrijpende gevolgen die een procedure over de verpande vordering tussen de pandhouder en de debiteur kan hebben voor de pandgever, is dit mijns inziens onvoldoende waarborg voor de behartiging van de belangen van de pandgever. Het is wenselijk dat de pandgever in een procedure tussen de pandhouder en de debiteur de mogelijkheid heeft om zelf zijn belangen te behartigen.
De pandgever zou tot behartiging van zijn belangen in een procedure tussen de pandhouder en de schuldenaar in staat zijn, indien hij in een procedure tussen de pandhouder en de debiteur zou kunnen interveniëren door zich daarin te voegen aan de zijde van de pandhouder.2 Daardoor zou hij partij worden in die procedure.3 Op die wijze zou de pandgever zijn belangen kunnen behartigen.
De pandgever kan zich uitsluitend voegen in een procedure als hij bij de uitkomst daarvan voldoende belang heeft.4 Onderwerp van het geschil tussen de pandhouder en de debiteur is een vordering die tot het vermogen van de pandgever behoort. Het niet uitgesloten zijn van regres op een derde door één van de procespartijen, na toewijzing van een vordering op die partij, is door de Hoge Raad beschouwd als een voldoende belang om die derde het recht te geven zich aan de zijde van die procespartij in het geding te voegen.5 Dat een beslissing in een procedure een derde in zijn vermogen kan raken, lijkt op grond hiervan een voldoende belang te zijn om de derde als gevoegde partij in het geding toe te laten. A priori volgt hieruit dat een derde, zoals een pandgever, bij een procedure over een vordering die tot zijn vermogen behoort het voor voeging vereiste belang heeft.
Opmerking verdient dat de Hoge Raad in oudere rechtspraak een strenger criterium hanteerde. Voor voeging was vereist dat het recht van de partij die zich wilde voegen in de procedure kon worden aangetast. Het risico van de vermindering van feitelijk genot was bijvoorbeeld onvoldoende.6