Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/100
100 Correctie in de wet
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 19-05-2026
- Datum
19-05-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD106840:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Art. 7A:1576t BW. Vgl. ook art. 7 van de ‘Richtlijn Consumentenkrediet’ (Richtlijn nr. 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 (PbEG 1987, L 42/48), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn nr. 98/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 (PbEG 1998, L 101/17)), waarin is bepaald dat bij terugname van goederen door een kredietgever de afrekening zodanig dient te geschieden dat de terugneming niet leidt tot ongerechtvaardigde verrijking van de kredietgever.
Richtlijn nr. 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (PbEG 2002, L 168/43) en Titel 2 Boek 7 BW.
Dit blijkt uit de wetsgeschiedenis. Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 874, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 16-17 en Kamerstukken I 2004/05, 28 874, nr. E (Nadere Memorie van Antwoord), p. 15 en 16. Opgemerkt zij dat de wet geen bepalingen bevat die beogen overbedeling van de zekerheidseigenaar te voorkomen indien ter uitvoering van een financiëlezekerheidsovereenkomst geen pandrecht op effecten wordt gevestigd, maar deze tot zekerheid in eigendom worden overgedragen. Zie ook hierna par. 14.5.
Voor het huidige recht geldt dat in geval van ontbinding van een huurkoopovereenkomst wegens niet-nakoming door de huurkoper, het eventuele voordeel van de huurverkoper dat deze door de ontbinding heeft, aan de huurkoper toevalt.1 In de wet tot uitvoering van de Europese Richtlijn betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten2 is bepaald dat een houder van een pandrecht op effecten zich deze effecten mag toeëigenen3 indien (i) de titel van de vestiging van het pandrecht een financiëlezekerheidsovereenkomst is;4 (ii) de pandhouder bevoegd is tot executie van zijn pandrecht over te gaan;5 (iii) de toeëigening in de financiëlezekerheidsovereenkomst is bedongen;6 (iv) de waardering van de effecten is gebaseerd op de waarde op een markt of ter beurze;7 en (v) hij de ‘overwaarde’ uitkeert aan de pandgever.8 Met de twee laatstgenoemde vereisten is beoogd overbedeling van de pandhouder (na de toeëigening: (zekerheids)eigenaar) te voorkomen.9
Overbedeling kan worden tegengegaan door middel van een toeëigeningsverbod en de regel dat een surplus aan de zekerheidsgever moet worden uitgekeerd. Een eventuele overwaarde komt dan niet aan de zekerheidsgerechtigde, maar aan de zekerheidsgever toe. Het risico van overbedeling van een fiduciair cessionaris is als zodanig dan ook onvoldoende reden om cessie tot zekerheid af te wijzen. In hoofdstuk 14 wordt onderzocht of, en zo ja hoe, bescherming van de cedent tegen overbedeling van de cessionaris geboden is indien het fiduciaverbod wordt geschrapt.