Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/7.2.3.3
7.2.3.3 De verhouding tussen Pensioenwet en Wft
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS596417:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 2005-2006, 30413, nr. 18, p. 17-18 (voor pensioenverzekeraars) en Kamerstukken II, 2008-2009, 31891, nr. 3, p 48 (voor premiepensioeninstellingen).
Art. 6 Pw. Een uitzondering bestaat bijv. voor premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid (art. 52 Pw). Op de verhouding tussen een pensioenverzekeraar of een premiepensioeninstelling en een werkgever is de Wft daarentegen wél gewoon van toepassing (Kamerstukken II, 2008-2009, 31891, nr. 3, p 48).
Althans: in de onderlinge verhouding tussen pensioenregelgeving en Wft. Ook bijv. het BW bevat voorschriften ten aanzien van de relatie met de begunstigde.
Art. 3:267b, lid 1, Wft.
Art 2, lid 2, sub b, Pensioenrichtlijn.
Art. 132 Solvency II. Deze bepaling is in Nederland geïmplementeerd in art. 3:267h, lid 1, Wft. Deze bepaling is nog niet in werking getreden. Dat hoeft ook niet omdat art. 132 Solvency II eerst per 1 januari 2016 van toepassing zal zijn (art. 309 Solvency II). Toch zijn (pensioen- en andere) verzekeraars nu al gehouden tot naleving van de prudent person-regel. Bij het toezicht op de naleving van de eise inzake een beheerste en integere bedrijfsvoering, risicomanagement en de technische voorzieningen betrekt DNB nu reeds de EIOPA-richtsnoeren met betrekking tot de prudent person-regel (art. 4.1 Beleidsregel toepassing richtsnoeren ESA’s Wft). Zie daarover: Van den Hurk 2013, p. 155.
Zo geldt ook voor verzekeraars dat zij moeten beleggen op een wijze waarbij de\ veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel zijn gewaarborgd; moeten de activa die tegenover de technische voorzieningen staan, worden belegd op een wijze die strookt met de aard en de looptijd van de verzekeringsverplichtingen; en moeten de activa zodanig worden gediversifieerd dat een bovenmatige afhankelijkheid van een bepaald actief, een bepaalde emittent of groep van ondernemingen, of een bepaalde geografische ruimte en bovenmatige risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden. Voorts staat ook voor verzekeraars beleggingsvrijheid voorop (art. 133 Solvency II). Ik wijs er wel nog op dat voor verzekeraars wordt bepaald dat zij moeten beleggen in het belang van alle verzekeringnemers en begunstigden (art. 132, lid 2, 3e en 4e alinea, Solvency II). Voor een pensioenverzekeraar zou dit betekenen dat hij ook rekening moet houden met het belang van de bijdragende onderneming, terwijl een pensioenfonds of een premiepensioeninstelling dat juist niet mag (zie par. 3.5.3). Wellicht heeft men bij het opstellen van Solvency II dit verschil niet onder ogen gezien, en moet de prudent person-regel voor pensioenverzekeraars zo worden uitgelegd dat ook zij uitsluitend in het belang van de begunstigden beleggen.
Voor financiële ondernemingen zijn de voorschriften omtrent de relatie met cliënten opgenomen in de Wft. Pensioenverzekeraars en premiepensioeninstellingen zijn financiële ondernemingen. Echter, ook de Pensioenwet bevat voorschriften omtrent de relatie met begunstigden. Het zou ongewenst zijn als de eisen over de inhoud en de uitvoering van de pensioenovereenkomst zouden verschillen tussen enerzijds pensioenfondsen en anderzijds pensioenverzekeraars en premiepensioeninstellingen. Daarom zijn “alle pensioenspecifieke bepalingen rond pensioenregelingen” opgenomen in de Pensioenwet.1 Zekerheidshalve bepaalt de Pensioenwet nog dat de Wft niet van toepassing is op de relatie tussen een pensioenverzekeraar of premiepensioeninstelling en een begunstigde, tenzij in de Pensioenwet anders is bepaald.2 De relatie tussen een pensioenverzekeraar of premiepensioeninstelling en een begunstigde is dus (in principe) uitsluitend geregeld in de pensioenregelgeving.3
Van andere onderwerpen dan de relatie met begunstigden is niet bepaald of zij uitsluitend in de pensioenregelgeving of eventueel ook elders zijn geregeld. Voor die onderwerpen moet men steeds aan de hand van de tekst vaststellen of de pensioenrechtelijke regel enkel op pensioenfondsen, of ook op pensioenverzekeraars en premiepensioeninstellingen van toepassing is.
Enkele pensioenrechtelijke uitbestedingsvoorschriften zijn van toepassing op alle pensioenuitvoerders en dus ook op pensioenverzekeraars en premiepensioeninstellingen.4 Daarnaast moeten pensioenverzekeraars en premiepensioeninstellingen hun respectieve Wft-uitbestedingsvoorschriften toepassen.
Zowel pensioenfondsen als premiepensioeninstellingen moeten voldoen aan de prudent person-regel zoals opgenomen in de Pensioenrichtlijn. Voor pensioenfondsen is dit geregeld in de pensioenregelgeving;5 voor premiepensioeninstellingen in de Wft.6 Pensioenverzekeraars vallen niet onder de Pensioenrichtlijn.7 Toch moeten ook zij aan een prudent person-regel voldoen. Deze volgt niet uit de Pensioenrichtlijn, maar uit Solvency II.8 Tussen de prudent person-regel uit de Pensioenrichtlijn en die uit Solvency II bestaan tekstuele verschillen, maar vooral overeenkomsten.9 Het is daarom maar de vraag of en, zo ja, in hoeverre er ook inhoudelijke verschillen zijn tussen deze prudent person-regels. Dat is temeer de vraag, omdat EIOPA de Europese toezichthouder is voor zowel de pensioen- als de verzekeringssector. De kans op een uiteenlopende uitleg lijkt mij groter wanneer het hier verschillende toezichthouders betrof. De kwestie van eventuele verschillen tussen de pensioenrechtelijke en de verzekeringsrechtelijke prudent person-regels laat ik hier verder rusten.