Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.9.4.1
III.9.4.1 Nauwkeuriger omschrijven van economische exploitaties
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS494235:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 12 februari 2009, zaak C-515/07, BNB 2009/202 (concl. A-G Mengozzi; VNLTO; m.nt. B.G. van Zadelhoff): ‘39 Anders dan de zaak waarin voormeld arrest Charles en Charles-Tijmens is gewezen, die betrekking had op een onroerend goed dat voor het vermogen van de onderneming was bestemd voordat het – gedeeltelijk – werd bestemd* voor privégebruik, dat per definitie geen gebruik voor bedrijfsdoeleinden van de belastingplichtige was, gaat het in de zaak die in het hoofdgeding aan de orde is om niet-belaste handelingen van VNLTO die bestaan in de behartiging van de algemene belangen van de leden van deze vereniging en in casu niet kunnen worden beschouwd als handelingen voor andere dan bedrijfsdoeleinden, aangezien zij het voornaamste doel van deze vereniging vormen.’
In paragraaf 8.2.1 is aangegeven dat een nauwkeuriger omschrijving van economische exploitaties aanbeveling verdient. Dit kan de frictie tussen de huidige uitleg van het professionaliteitscriterium en de strekking van de omzetbelasting te verminderen (zie par. 8.2.1.2). Nauwkeuriger omschrijven wat economische exploitaties zijn, vereist een wijziging van artikel 9 Btw-richtlijn. Bij het wijzigen van die bepaling is van belang in herinnering te roepen dat de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen in de praktijk een uitbreiding van het begrip economische activiteit is (zie par. 3.2.5). Die uitbreiding kan voor een deel als wenselijk worden beoordeeld. Eerder is het voorbeeld gegeven van een belegging in commercieel vastgoed (zie par. 2.4.5 en 8.2.1.2a). Voor die situaties zou ik de uitbreiding in stand willen laten. Dit kan door artikel 9 Btw-richtlijn zodanig te wijzigen, dat alleen degene die vermogensbestanddelen exploiteert die naar hun aard niet voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemd zijn, ondernemer is. Voor de hand ligt hetzelfde te bepalen voor overdrachten van dergelijke vermogensbestanddelen. In andere gevallen zal ‘gewoon’ sprake moeten zijn van werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, etc. De huidige verwijzing naar exploitaties van vermogensbestanddelen om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen in de derde volzin van artikel 9, lid 1, Btw-richtlijn, en in artikel 7, lid 2, onderdeel b, Wet OB 1968, kan komen te vervallen.
De achtergrond van het voorstellen van het gebruik van de bewoordingen ‘andere dan bedrijfsdoeleinden’ is dat uit de jurisprudentie over artikel 26 Btw-richtlijn volgt dat bedrijfsdoeleinden meer kunnen omvatten dan alleen een economische activiteit. Van belang is daarbij vooral het arrest van het Hof van Justitie in de zaak VNLTO.1 Gebruik voor andere dan bedrijfsdoeleinden verwijst vooral naar privégebruik (consumptie). In de door mij voorgestelde wijziging van artikel 9 Btw-richtlijn is dat van belang. Een kantoorpand kan, bijvoorbeeld, naar zijn aard prima voor werkzaamheden worden gebruikt die niet tot een economische activiteit behoren, zoals die van een overheid. De exploitatie van een kantoorpand valt daarom niet binnen de uitbreiding van het ondernemerschap als de norm zou zijn dat een vermogensbestanddeel naar zijn aard voor gebruik in het kader van een economische activiteit bestemd is. Dat is naar mijn mening onwenselijk. Vandaar dat de verwijzing naar ‘andere dan bedrijfsdoeleinden’ is voorgesteld.