Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.2.4.7.3
I.2.4.7.3 Verlening van krediet
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS501378:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. I. Roxan, ‘VAT Supplies of Services: A Definition in Search of a Meaning’ in: A. Lymer & D. Salter (red.), Contemporary Issues in Taxation Research, Aldershot (GB): Ashgate 2003, p. 181.
Zie ook I. Roxan, ‘VAT Supplies of Services: A Definition in Search of a Meaning’ in: A. Lymer & D. Salter (red.), Contemporary Issues in Taxation Research, Aldershot (GB): Ashgate 2003, p. 185; Value Added Tax. A Study of Methods of Taxing Financial and Insurance Services (Rapport van Ernst & Young voor de Europese Commissie uit 1996), p. 3; R. de la Feria, ‘The EU VAT treatment of insurance and financial services (again) under review’, EC Tax Review 2007, p. 74-89; Henkow 2008, p. 342.
Verlening van krediet kan, onder meer, het uitlenen van fiduciair geld zijn (zie ook hoofdstuk 6). Het houdt dan doorgaans in dat een persoon voor een bepaalde periode de beschikking krijgt over een geldbedrag in ruil voor een (rente) vergoeding. Leidt het verlenen van krediet als zodanig nu tot verbruik en behoort het daarom in de heffing van omzetbelasting betrokken te worden? Het antwoord op deze vraag luidt stellig ontkennend. De kredietnemer kan het ter beschikking gestelde geld immers niet verbruiken in de zin van de hiervoor gevonden definitie van verbruik. Kredietverlening leidt hooguit tot een verschuiving van verbruik tussen personen en in de tijd. Als zodanig leidt het echter niet tot (meer) verbruik en als het dat al doet, dan is het een indirect effect.1
Toegegeven moet worden dat de situatie complexer is als, bijvoorbeeld, een bank krediet verleent. Dan geldt nog altijd dat het verlenen van krediet als zodanig geen verbruik oplevert, maar tegelijkertijd valt niet te ontkennen dat een bank een bedrijfshuishouding is die waarde toevoegt. Waarde toevoegen doet de bank door – in economische zin – op te treden als tussenpersoon op financiële markten. Dat kan zij mede ten behoeve van consumptiehuishoudingen doen. Het kan daarom worden gezegd dat de bank diensten voortbrengt die voor verbruik vatbaar zijn. Het probleem is alleen dat de tegenprestatie voor deze diensten niet eenvoudig op transactieniveau te bepalen valt, waarbij een rol speelt dat zij niet transparant is. Vergoedingen voor de werkelijke diensten van een bank worden namelijk geregeld verdisconteerd in de rente die de bank vergoedt of vraagt voor de kredietverlening aan hem respectievelijk door hem.2