Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/6.4:6.4 Conclusie
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/6.4
6.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS601930:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
163. Art. 3:66 lid 2 BW regelt de toerekening van de kennis van een gevolmachtigde aan de volmachtgever. Het omvat de leer van het grootste aandeel: al naar gelang het aandeel van volmachtgever en gevolmachtigde in de totstandkoming van een rechtshandeling of in de bepaling van haar inhoud, komt de kennis van elk van hen in aanmerking voor de beoordeling van die rechtshandeling. Wanneer een rechtspersoon een rechtshandeling verricht, zullen vaak een of meer functionarissen van de rechtspersoon als gevolmachtigde optreden. In dit hoofdstuk is zowel aan de orde gekomen hoe art. 3:66 lid 2 BW in het algemeen moet worden begrepen, als hoe dit artikellid moet worden toegepast wanneer de volmachtgever een rechtspersoon is.
Meijers heeft zich bij het ontwerp van art. 3:66 lid 2 BW laten inspireren door § 166 BGB. Hij zag art. 3:66 lid 2 BW als een verbetering ten opzichte van de wijze waarop § 166 BGB deze materie regelt (par. 6.2). Om die reden is in dit hoofdstuk mede bezien, waar toepasselijk, hoe vragen over de toepassing van art. 3:66 lid 2 BW in het Duitse recht worden beantwoord ten aanzien van § 166 BGB.
Hoewel art. 3:66 lid 2 BW alleen rept van de toerekening van een wil of bekendheid met feiten, kan worden aangenomen dat deze regel ook de deskundigheid van de gevolmachtigde of de volmachtgever omvat (par. 6.3.1). Een aandeel in de zin van art. 3:66 lid 2 BW moet worden gezien als een reële mogelijkheid om te voorkomen dat de rechtshandeling zou worden verricht of op deze wijze zou worden verricht (par. 6.3.2). Bij rechtspersonen is ‘de kennis van de volmachtgever’ naar mijn mening de kennis van het individu dat feitelijk de volmacht heeft verstrekt. Dit kan een bestuurder zijn, maar ook een leidinggevende functionaris. Is bij de totstandkoming van de rechtshandeling een bestuurder betrokken die niet zelf de volmacht heeft afgegeven, dan moet ook zijn kennis gelden als die ‘van de volmachtgever’ (par. 6.3.3).
Het komt soms voor dat de wederpartij van de volmachtgever tevens diens gevolmachtigde is. Op die situatie is art. 3:66 lid 2 BW in beginsel niet van toepassing (par. 6.3.4). Art. 3:66 lid 2 BW is wel van toepassing in geval van ondervolmacht. Dan kan ‘hoofdgevolmachtigde en/of volmachtgever’ worden gelezen op de plaats van ‘volmachtgever’ en ‘ondergevolmachtigde’ op de plaats van ‘gevolmachtigde’. Werken meerdere individuen met een algemene (aanstellings)volmacht binnen een rechtspersoon samen bij de totstandkoming van een overeenkomst, dan mogen zij naar mijn mening al snel elk geacht worden een aandeel te hebben gehad in de totstandkoming, ook al zet uiteindelijk slechts een van hen de handtekening onder de overeenkomst (par. 6.3.5). Het is niet altijd gemakkelijk te bepalen welke gedragingen van een gevolmachtigde vallen binnen ‘het verrichten van een rechtshandeling’ – en dus of de daarbij opgedane kennis geldt als die van de volmachtgever. Dit kan niet anders dan per geval beoordeeld worden (par. 6.3.6). Tot slot mag de kennis van de gevolmachtigde op grond van art. 3:66 lid 2 BW slechts in aanmerking worden genomen ter beoordeling van de rechtsverhouding waarbinnen de gevolmachtigde de rechtshandeling heeft verricht. Ligt een andere door of voor de volmachtgever verrichte rechtshandeling ter beoordeling voor, dan biedt art. 3:66 lid 2 BW geen basis voor toerekening van de kennis van de gevolmachtigde aan de volmachtgever in die andere rechtsverhouding (par. 6.3.7).