Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.6.4
9.6.4 Altlasten: BGH neemt Organisationspflicht aan
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS595001:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over dit begrip par. 7.5.2. Zie over de beheersing van zelf gecreëerde risico’s als ratio voor kennistoerekening par. 4.2.2.
Taupitz 1994, in het bijzonder p. 26-30 en (over het ‘selbsteröffnete Verkehrsbereich’) p. 51.
NJW 1996, 1339. Dit arrest betrof overigens niet een rechtspersoon, maar een GmbH & Co KG, enigszins vergelijkbaar met een commanditaire vennootschap met een besloten vennootschap als beherend vennoot. Voor het BGH maakt de rechtsvorm van de organisatie geen verschil; de daarop betrekking hebbende overwegingen van het BGH behandel ik niet, nu mijn onderzoek zich slechts richt op rechtspersonen.
Baum ziet de Organisationspflicht als een Verkehrspflicht, gebaseerd op het ‘gevaar’ van kennisversplintering dat wordt veroorzaakt door arbeidsdeling. Hij baseert zijn theorie over kennistoerekening op een analogie met de Duitse regels over gevaarzetting.
Zie NJW 1996, p. 1341 bovenaan.
Zie daarover par. 4.2.5.
315. In de Duitse literatuur bestaat consensus over de visie dat kennisversplintering een gevolg is van arbeidsdeling.1 Door hulppersonen in te schakelen, vergroot een rechtspersoon zijn actieradius en daarmee zijn deelname aan het rechtsverkeer. Daarmee ontstaat echter ook het risico op gebreken in de communicatie. De rechtspersoon draagt daarom verantwoordelijkheid voor de beheersing van dat risico. In Duitsland spreekt men van de ‘Beherrschung eines selbsteröffneten Verkehrsbereich’.2 In een invloedrijke bijdrage aan een congres in 1994 bepleitte Jochen Taupitz, zelf geïnspireerd door het Engelse recht, dat organisaties om deze reden de plicht hebben tot een behoorlijke organisatie van de communicatie.3 In een arrest van 2 februari 1996 heeft het BGH zich met een uitvoerige motivering bij deze visie aangesloten. In dit arrest neemt de Ve Zivilsenat van het BGH voor wat betreft kennistoerekening ook definitief afscheid van de orgaanleer: of de kennisdrager orgaan is of niet, doet niet ter zake.4 De zaak ging over de verkoop van een zagerij met bijbehorende grond, waarin na levering verontreinigingen (Altlasten) werden aangetroffen.5 De overwegingen van het BGH komen op het volgende neer. Voor de vraag welke kennis een rechtspersoon bezit, moet acht worden geslagen op informatie die typisch in documenten wordt opgeslagen. Het staat de rechtspersoon niet vrij om dergelijke informatie naar eigen inzicht te gebruiken; voor het gebruik daarvan gelden normatieve eisen ter bescherming van het rechtsverkeer. De rechtspersoon is verplicht om de beschikbaarheid van op enig moment verkregen kennis te organiseren. Komt de rechtspersoon deze rechtsplicht niet na, dan moet hij materieel behandeld worden alsof hij de relevante wetenschap heeft. Een organisatie die aan het rechtsverkeer deelneemt, moet (mede en juist op grond van de gerechtvaardigde verwachtingen in het rechtsverkeer) zo georganiseerd zijn, dat informatie waarvan de relevantie voor andere personen binnen de organisatie kenbaar is voor de wetende functionaris, daadwerkelijk wordt doorgegeven. Omgekeerd moet zekergesteld zijn dat informatie die kenbaar elders binnen de organisatie voorhanden is en die wezenlijk is voor de eigen activiteiten van de handelende functionaris, wordt opgevraagd. Kennistoerekening vindt niet haar grondslag in het zijn van orgaan of in een vergelijkbare positie van de persoon die kennis verkrijgt (orgaanleer), maar in de gedachte van de bescherming van het rechtsverkeer en in de daaraan gekoppelde plicht tot behoorlijke organisatie van de bedrijfsinterne communicatie.
316. Het BGH leidt vervolgens uit het gelijkheidsargument af dat ook voor kennistoerekening persoonlijke en temporele grenzen gelden. Hetgeen als kennis wordt toegerekend mag niet ontaarden in een fictie die de rechtspersoon ver voorbij elke menselijke capaciteit belast. De handelende functionaris moet ten minste een reële mogelijkheid, maar ook een aanleiding hebben om zich de kennis te verschaffen. Dat brengt ten eerste mee dat acht moet worden geslagen op de waarschijnlijkheid dat de informatie in kwestie later rechtens relevant kan worden. Dat moet volgens het BGH worden beoordeeld naar het tijdstip van de waarneming en niet naar een pas later bereikte stand van wetenschap. Zolang bijvoorbeeld asbest of bepaalde oplosmiddelen als onschadelijk gelden, mag men geen opslag van informatie daaromtrent verlangen. Bovendien moet ook ten aanzien van de duur van de opslag van informatie onderscheid worden gemaakt: hoe voorzienbaar relevanter een omstandigheid is, hoe langer informatie daarover opgeslagen moet blijven. Worden documenten te vroeg vernietigd, dan maakt dat geen einde aan de kennistoerekening. Het gelijkheidsargument brengt daarnaast mee dat in acht moet worden genomen dat ook het herinneringsvermogen van mensen typisch afhankelijk is van het herkenbare belang van de waarneming en van hoe lang geleden die plaatsvond. Opgeslagen informatie mag daarom alleen als kennis worden toegerekend voor zover er een bijzondere aanleiding bestaat om zich er in de concrete situatie van te vergewissen. Bij kennistoerekening moet mede acht worden geslagen op hoe bezwaarlijk het is om te zoeken naar de informatie. Beoordeeld moet worden wat van een organisatie kan worden gevergd.
317. Het BGH koppelt kennistoerekening in Altlasten aan de vraag of de handelende functionaris de relevante kennis gehad zou hebben indien de interne communicatie behoorlijk georganiseerd zou zijn geweest. Het formuleert een plicht tot het voeren van een behoorlijke organisatie, die in het Duitse recht Wissensorganisationspflicht of kortweg Organisationspflicht wordt genoemd. Het BGH zoekt de rechtvaardiging voor deze plicht ten eerste in de Verkehrsschutz. Dit begrip zou kunnen worden vertaald als de bescherming van het rechtsverkeer of de bescherming van het handelsverkeer. Het begrip Verkehr heeft ook een bredere strekking: een Verkehrspflicht is een zorgplicht, ontwikkeld ten behoeve van situaties van gevaarzetting.6 Het BGH refereert uitdrukkelijk aan de leer inzake gevaarzetting.7 De tweede rechtvaardiging zoekt het BGH in het gelijkheidsargument: de wederpartij mag niet slechter af zijn doordat zij een organisatie tegenover zich vindt in plaats van een individu.8
318. De Organisationspflicht valt uiteen in drie ‘subplichten’:
een plicht ervoor te zorgen dat de relevante informatie binnen de organisatie wordt doorgeleid aan degenen voor wiens handelen die informatie relevant is (Informationsweiterleitungspflicht);
een plicht ervoor te zorgen dat de relevante informatie wordt opgeslagen zodat deze beschikbaar is voor degenen voor wiens handelen die informatie relevant is (Dokumentationspflicht);
een plicht om ervoor te zorgen dat de handelende functionaris de binnen de organisatie aanwezige relevante informatie raadpleegt (Informationsabfragepflicht).
De eerste en derde plicht worden door het BGH letterlijk genoemd; de Dokumentationspflicht wordt in de literatuur uit het arrest afgeleid.9 Naar mijn idee speelt de wetende functionaris de belangrijkste rol bij de vervulling van de eerste twee plichten en de handelende functionaris bij de vervulling van de derde plicht. De leiding van de rechtspersoon heeft voor alle drie de plichten een verantwoordelijkheid en zal moeten zorgen voor een goede opleiding en instructie van medewerkers en voor het verschaffen van een adequaat informatiemanagementsysteem.
319. Uit hetgeen het BGH overweegt over de Organisationspflicht volgen ook de grenzen van kennistoerekening: die hangen samen met enerzijds de aard van de informatie en anderzijds de zwaarte van de last die op de organisatie wordt gelegd:
alleen indien op het moment van waarneming voorzienbaar is dat bepaalde informatie op een later tijdstip voor derden van belang zal worden, kan worden gevergd dat die informatie wordt opgeslagen of doorgegeven;
hoe groter de voorzienbare relevantie van de informatie is, hoe langer die opgeslagen moet blijven;
van de handelende functionaris kan alleen worden gevergd dat hij informatie opvraagt wanneer voor hem daartoe voldoende aanleiding bestaat;
hoe bezwaarlijker het opvragen van informatie is, des te sneller zal de rechtspersoon een beroep op onwetendheid worden toegestaan.
De plicht van de handelende functionaris om informatie op te vragen en te raadplegen bestaat vanzelfsprekend niet alleen in situaties van kennisversplintering, maar ook in het standaardgeval. Het onderscheid dat ik in deze studie tussen beide situaties maak, maakt het BGH niet als zodanig.