Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/141:141 Onderscheid tussen onoverdraagbaarheid, onvatbaarheid voor beslag en onverpandbaarheid
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/141
141 Onderscheid tussen onoverdraagbaarheid, onvatbaarheid voor beslag en onverpandbaarheid
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD19232:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na wijziging van art. 3:228 BW conform mijn voorstel1 zou een onoverdraagbare vordering vatbaar voor verpanding zijn als deze (i) door de pandhouder kan worden geïnd, (ii) het geïnde vatbaar is voor verhaal door de pandhouder en (iii) de wet of de aard van de vordering zich niet tegen verpanding verzetten en de vordering niet door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar onverpandbaar is gemaakt. Wordt art. 3:228 BW in deze zin aangepast dan zou voor elke, bestaande of toekomstige, specifieke wetsbepaling die de overdracht van een categorie vorderingen uitsluit, de vraag moeten worden beantwoord of deze bepaling tevens de verpanding ervan zou moeten uitsluiten. Van bepalingen die reeds thans zowel de overdracht als de verpanding van een categorie vorderingen uitsluiten, zou moeten worden nagegaan of het verpandingsverbod moet worden gehandhaafd.
Verpanding van een bepaalde categorie onoverdraagbare vorderingen zou uitsluitend moeten worden uitgesloten als de reden voor uitsluiting van overdraagbaarheid tevens een goede reden is om de betreffende vorderingen onverpandbaar te doen zijn of indien daar een andere, zelfstandige reden voor is. Of de ratio van de onoverdraagbaarheid de onverpandbaarheid rechtvaardigt, zal veelal eenvoudig kunnen worden vastgesteld. Een voorbeeld is art. 7:633 lid 1 BW. Dit artikel bepaalt dat overdracht en verpanding van loonvorderingen niet is toegestaan voor zover beslag daarop niet mogelijk is. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat de schuldenaar van minimale bestaansmiddelen wordt beroofd, zodat er een goede reden is om het verpandingsverbod in deze bepaling te handhaven.
De reden waarom een vordering op grond van een wettelijke bepaling niet vatbaar is voor beslag kan tevens een goede reden zijn om de vordering onverpandbaar te doen zijn, zoals het hiervoor gegeven voorbeeld laat zien, maar noodzakelijk is dat niet. Zo is er mijns inziens geen aanleiding om de beperking die geldt voor de mogelijkheid van beslag op toekomstige vorderingen tevens te laten gelden voor de mogelijkheid tot stille verpanding van toekomstige vorderingen.2
Wettelijke bepalingen die de overdracht van vorderingen uitsluiten zonder tevens de verpanding ervan uit te sluiten zijn er thans bij mijn weten niet. Voorbeelden van bepalingen die zowel de overdracht als de verpanding van bepaalde vorderingen uitsluiten zijn, naast het genoemde art. 7:633 lid 1 BW, art. 7A:1576f BW en 6:106 lid 2 BW. Ook voor deze bepalingen lijkt te gelden dat de reden waarom de overdracht van de betreffende vorderingen is uitgesloten tevens een goede reden is om de verpanding ervan uit te (blijven) sluiten.