Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/2.2
2.2 Goederenrechtelijke rechten en rechtsobjecten
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS450861:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 22; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 16; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 7.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 3; Struycken 2007, p. 709: “de doctrine is er nooit in geslaagd om een duidelijke en hanteerbare definitie te ontwikkelen voor het goederenrechtelijk recht in het algemeen”.
Asser 1896, p. 1, 23; Diephuis 6 1886, p. 7; Fesevur 2005, p. 17, 21; Kisch 1932, nr. 31; Rank-Berenschot 1992, 4.2.1; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 2; Suijling 1940, nr. 1; vgl. Spath 2010, par. 4.2, p. 174.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 16; Fesevur 2005, p. 20-21; J.E. Jansen 2014; Kisch 1932, nr. 34; Meijers 1948, p. 266; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 21; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 7; Suijling 1940, nr. 1; Veegens/Oppenheim 1919, p. 1. Zie Rank-Berenschot 1992, p. 38.
Asser/Beekhuis 1957, p. 4-5; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 17; Eggens 1960, p. 187-189; Fesevur 2005, p. 5; Kisch 1932, nr. 63 e.v.; Kortmann 1973; Planiol & Ripert I 1925, nr. 2158-2162; Rank-Berenschot 1992, 4.3.1; Schoordijk 1992.
Asser/Beekhuis 1957, p. 5; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 17; Eggens 1960, p. 198-199; Fesevur 2005, p. 21; Kisch 1932, nr. 72; Meijers 1948, p. 273-274; Rank-Berenschot 1992, m.n. p. 73 e.v., p. 314; Van der Steur 2003, p. 27, 55; Struycken 2007, 2.5.1.2, 9.2.1.1. Zie voorts hieronder in de hoofdtekst.
Tegen het kenmerken van goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke rechten op basis van hun gevolgen kan als bezwaar in worden gebracht dat zij niet het materiële recht kenmerken, maar slechts hun gevolgen. (Rank-Berenschot 1992, p. 22 en 54.) Dat mag zo zijn, maar ik acht dit niet bezwaarlijk; het is niet mogelijk gebleken goederenrechtelijke rechten op een andere wijze van verbintenisrechtelijke rechten te onderscheiden. (Vgl. Asser/Beekhuis 1957, p. 6.)
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 25, 27, 30-31; Asser/Beekhuis 1957, p. 8 e.v.; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 23-24; Rank-Berenschot 1992, p. 42 en par. 12.3, m.n. p. 313; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 64 e.v.; Uniken Venema 1954, p. 207. Meijers 1948, p. 269-270 geeft ook deze kenmerken op als kenmerkend voor het normaaltype van een zakelijk recht. Weliswaar noemt Meijers nog meer kenmerken, maar die zijn mijns inziens niet essentieel voor het goederenrechtelijke recht ten opzichte van het verbintenisrechtelijke recht, vgl. Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 74. Vaak wordt aan dit rijtje nog exclusiviteit of absolute werking toegevoegd, zie bijvoorbeeld Fesevur 2005, p. 17 e.v. en Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 65, maar zoals nog zal blijken is dit geen onderscheidend kenmerk van goederenrechtelijke rechten.
Vgl. over het onderscheid en de samenhang tussen prioriteit, separatisme, zaaksgevolg en voorrang Kisch 1932, nr. 203; Verstijlen 2006b. Vgl. voorts Dauchez 2013, nr. 32.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 25, 27, 30-31; Fesevur 2005, p. 17 e.v.; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 23-24; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 64 e.v.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 26; Meijers 1948, p. 271 e.v.; Rank-Berenschot 1992; Schoordijk 1992; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 69, 75 e.v.
Meijers 1948, p. 30-31, p. 269-270.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 22. Dit is uiteraard een abstractie. Dit wordt eens te meer duidelijk wanneer men de ontwikkeling van het pand- en hypotheekrecht bestudeert, zoals Pos (1970) en Herman (1914) hebben gedaan. Daaruit blijkt dat aan wat pand- en hypotheekrecht werd genoemd, niet altijd zaaksgevolg en/of voorrang toekwam, zie bijvoorbeeld Herman 1914, p. 3, 9-10, 21-22, 80-81; Pos 1970, p. 9, 26, 55, 72-73, 88-89, 109, 126-127; zie ook paragraaf 5.2; Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 20; Van Hoof 2015, p. 38 e.v., 75, 113 e.v., 158- 159. Ook nu nog wordt het uitgangspunt van zaaksgevolg in de wet doorbroken door regels van derdenbescherming.
Dit voorbeeld heb ik ontleend aan Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 23, zie ook Kisch 1932, nr. 157, 204.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 24.
Zie Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 68.
Vanwege het reële karakter van de bruikleenovereenkomst bestaat een dergelijke vordering uit hoofde van de bruikleenovereenkomst doorgaans niet. In de literatuur wordt echter aangenomen dat in sommige gevallen de bruiklener de eigenaar aan kan spreken tot nakoming van (neven)verplichtingen (Asser/Van Schaick 7-VIII* 2012, nr. 191) of op grond van een voorovereenkomst (Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014, nr. 76). In dit voorbeeld ga ik uit van deze uitzonderingssituatie. De vordering voortvloeiende uit de (bruikleen)overeenkomst wordt dan op grond van art. 133 Fw op een geldswaarde geschat, Wessels 2014, nr. 5146, HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108, NJ 2013/291 (Koot Beheer/Tideman q.q.).
Uiteraard slechts indien de curator de overeenkomst niet gestand wenst te doen, zie art. 37 Fw. Zie voorts art. 26 Fw, HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8838, NJ 2007/155 (Nebula) en HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681, NJ 2014/407 (ABN AMRO/Berzona); Polak/Pannevis 2014, par. 4.7.1.2. Voorts kan de bruiklener die het gebruik van de zaak (nog) niet heeft verloren, zijn gebruiksrecht verliezen indien de curator de zaak verkoopt en levert aan een derde. Het recht van bruikleen heeft immers geen zaaksgevolg, zodat de verkrijger dit recht niet tegen zich hoeft te laten gelden, Van Zanten 2014, par. 4.
Vgl. Kortmann 1973. De goederenrechtelijke rechten zijn eigendom en beperkte rechten, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 37; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 7.
Fesevur 2005, p. 18; Kisch 1932, nr. 218; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 67. Vgl. Dauchez 2013, nr. 32.
Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 66.
Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 65. Met absoluut wordt bedoeld dat deze rechten tegen iedereen ingeroepen kunnen worden en niet slechts tegen één of meer bepaalde personen. Met exclusief wordt bedoeld dat het recht exclusieve bevoegdheden verschaft. Zie Van Engelen 2014, 1.5.2, 1.5.4. Mijns inziens zijn exclusiviteit en absoluutheid twee kanten van dezelfde medaille (dat je exclusieve bevoegdheden hebt, wil zeggen dat je ieder ander kan uitsluiten en dat je het recht tegen ieder ander in kan roepen, wil zeggen dat je exclusief bevoegd bent) en daarom zal ik daar niet strikt tussen onderscheiden.
Van Engelen 2014, p. 18; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 65. Overigens uiteraard voor zover de eigenaar niet een gebruiksrecht heeft verleend aan een ander, maar dat gegeven ontneemt aan het eigendomsrecht niet het goederenrechtelijk karakter.
Zie Rank-Berenschot 1992, p. 313-314, waarin zij uitlegt dat zowel zakelijke als persoonlijke rechten in zekere zin relatief en in zekere zin absoluut zijn; Struycken 2007, 2.5.1.2.
Biemans 2011, nr. 487; Eggens 1960, p. 198-199; Kortmann 1973; Kortmann 1977, p. 47-49. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 17, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV* 2011, nr. 46.
De Jong 2006, p. 2, 8; Van der Steur 2003, p. 40 e.v.
Biemans 2009a; Biemans 2009b.
Zoals wel bepleit door Van der Steur 2003, zie bijv. p. 41, p. 44 e.v. In die zin voel ik meer voor het ‘eenlagige’ systeem van Mollema (2013, 6.2.2), maar dan bestaand uit rechten.
Zie Biemans 2007, p. 273; Mollema 2013, p. 96-98; Rank-Berenschot 1992, p. 64-65; W. Snijders 2006; Verstijlen 2006a.
Fesevur 2005, p. 22; Van der Steur 2003, p. 42, 299.
Verstijlen 2006a.
Zie Rank-Berenschot 1992, p. 311-313, die in ieder geval de beperkte rechten onder de relatieve rechten schaart, maar die stap nog niet zet voor het eigendomsrecht. Zie ook Kisch 1932, nr. 207 e.v.
Rank-Berenschot 1992, p. 314. Zie Van Engelen 2014, 1.5.1(a), die vorderingen zelfs onder de goederenrechtelijke rechten schaart. Vgl. Fesevur 2005, p. 22. Bezien vanuit het idee dat goederenrechtelijke rechten absoluut zijn en ook vorderingsrechten in zeker opzicht absoluut zijn, is dat zo gek nog niet, maar traditioneel worden de vorderingen gezien als persoonlijke rechten. Dat vorderingen – ook in het traditionele standpunt – object kunnen zijn van goederenrechtelijke rechten, namelijk beperkte rechten, is overigens een ander punt.
Voor de volledigheid: het goederenrecht en het verbintenissenrecht beslaan andere gebieden. Het goederenrecht gaat over alle wijzen van verkrijging en verlies van goederenrechtelijke rechten, en over de overdracht van alle goederen. (Zie over de definitie van goederenrecht onder meer Biemans 2007, p. 267; Struycken 2007, p. 100.) Daarnaast regelt het ook de inhoud van de goederenrechtelijke rechten, maar niet van alle goederen. Dat komt omdat naast de regels in Boek 3 over goederen in het algemeen ook de regels die specifiek zien op zaken uit Boek 5 tot het goederenrecht worden gerekend, maar de regels uit de Boeken 6, 7 en 8, die de inhoud van een bepaald soort goederen, namelijk vorderingsrechten, regelen, niet. (Biemans 2009a, p. 320; Hartkamp 2010, p. 19-20, 24-25.) Dit stemt overeen met het onderscheid tussen goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke rechten. Dit onderscheid speelt niet voor zover het gaat over overdracht als wijze van verkrijging. De overdracht is geregeld in Boek 3 en wordt gerekend tot het goederenrecht, terwijl de overdracht ook kan zien op goederen die geen goederenrechtelijke rechten zijn, zoals vorderingen.
Art. 6:227 BW bepaalt dit voor overeenkomsten, maar het vereiste bestrijkt een ruimer gebied en geldt voor verbintenissen in het algemeen: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 23.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 145-146; Diephuis 6 1849, p. 120-121. Of sprake is van één of van meer verbintenissen, kan echter van belang zijn in verband met de toepasselijke regeling van de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, zie HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2194.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 74; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 16.
Rank-Berenschot 1992, p. 311-312; vgl. Fesevur 2005, p. 5-6; Suijling 1940, nr. 1, p. 1, voetnoot 1 en Verstijlen 2006a, p. 274. Zoals Struycken aangeeft gaat het hierbij om abstracties, Struycken 2007, p. 91, zie ook p. 118. Vgl. W. Snijders 2006: “Ook een terminologie die tot een simpel spraakgebruik leidt is […] belangrijk.”
Zie Biemans 2007, p. 273, Fesevur 2005, p. 5-6.
Ploeger 1997, nr. 10; instemmend: Mertens 1998. Zie ook Brecher 1953, p. 36-37.
Biemans 2007, p. 273; Kortmann 1973. Vgl. Fesevur 2005, p. 5-6.
Fesevur 2005, p. 5-6; Heyman & Bartels 2012, nr. 14; Ploeger 2003, p. 65; Suijling 1940, nr. 32, 35; zie ook Snijders 1990, p. 181.
Vgl. Biemans 2007, p. 273; Suijling 1940, nr. 30: “De lichamelijke zaak in maatschappelijke zin is daarom niet identiek met de stoffelijke zaak in physieken zin.”
Geerts 2011, nr. 6; Grosheide 2011, nr. 9-10.
Van Engelen 2014, 1.5.1, 1.5.4, 1.6; Grosheide 2011, nr. 9.
Telkens versta ik hieronder ook de appartementsrechten. Het appartementsrecht bestaat immers uit een aandeel in de gemeenschap van het eigendomsrecht of een beperkt recht (te weten erfpacht of opstal). Zie Fesevur 2005, p. 7.
Vgl. voor het Duitse recht Grädler 2012, p. 194.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 17; Rank-Berenschot 1992, p. 73.
Hieruit volgt dat niet alle goederen ook goederenrechtelijke rechten zijn. Er zijn namelijk vermogensrechten die persoonlijke rechten zijn, zoals vorderingen.
Zie paragraaf 2.3.
Zie paragraaf 2.3.3.
Emerich 2004, m.n. p. 40-42; Sériaux, Rép. civ., “Propriété”, nr. 25 (online, laatst bijgewerkt juni 2015); Terré & Simler 2010, nr. 43.
Vgl. Wolf 1965, p. 42-45, zie ook paragraaf 2.3.3 over het onderzoek van Wolf.
Zie Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 5a; Biemans 2007, p. 273; Biemans 2009a, p. 322; Van der Steur 2003, p. 14; Struycken 2007, p. 99-100. Anders: W. Snijders 2006. Waarschijnlijk anders: Mollema 2013, par. 6.2.2.
13. Wat goederenrechtelijke rechten zijn, wordt vaak duidelijk gemaakt door ze af te zetten tegen verbintenisrechtelijke (ook wel persoonlijke)1 rechten. Wat hét verschil is tussen deze twee soorten rechten is echter niet eenvoudig aan te geven.2 Op het eerste gezicht lijken goederenrechtelijke rechten zich te kenmerken door de band die zij vestigen tussen een persoon en een goed; binnen het goederenrecht wordt regelmatig gesproken van ‘rechten op goederen’.3 Het verbintenissenrecht gaat daarentegen over de rechtsbetrekkingen tussen personen onderling.4 Daarom wordt wel gezegd dat goederenrechtelijke rechten absoluut zijn; zij werken tegenover een ieder, terwijl verbintenisrechtelijke rechten relatief zijn; zij werken slechts jegens de wederpartij(en).5 Uiteraard is dit een te simpele voorstelling van zaken. Een recht op een goed is in wezen ook een verbondenheid van personen. Het recht regelt immers uiteindelijk de betrekkingen tussen mensen onderling en een recht wordt uiteindelijk uitgeoefend tegen anderen, niet tegen een – levenloos – goed.6 Anderzijds heeft ook een verbintenis gelding jegens derden; ook derden moeten een verbintenisrechtelijke rechtsbetrekking eerbiedigen.7
Voor beperkte rechten valt het verschil met verbintenisrechtelijke rechten goed aan te geven. Zij kenmerken zich door hun rechtsgevolgen.8 Zij brengen zaaksgevolg, prioriteit en separatisme met zich, in tegenstelling tot de verbintenisrechtelijke rechten.9 Bij de zekerheidsrechten kan hier nog voorrang aan toe worden gevoegd.10 Deze kenmerken worden doorgaans doorgetrokken naar het eigendomsrecht en worden daarom gezien als onderscheidend voor de goederenrechtelijke rechten.11 Weliswaar worden deze gevolgen op diverse plaatsen in het goederenrecht gemitigeerd en hebben – andersom – verbintenisrechtelijke rechten soms ook deze gevolgen,12 dat neemt niet weg dat dit de basis – het normaaltype13 – is waar in de wet, rechtspraak en literatuur van uit wordt gegaan.14
Een voorbeeld uit het Nederlandse recht. Het recht van vruchtgebruik (art. 3:201 BW) en het recht van bruikleen (art. 7A:1777 BW) kunnen een vergelijkbare inhoud hebben, maar het eerste recht is een goederenrechtelijk recht en het tweede recht een verbintenisrechtelijk recht.15 Hét cruciale verschil nu tussen deze twee figuren is dat de vruchtgebruiker zijn recht ook uit kan oefenen tegen latere verkrijgers onder bijzondere titel van het goed dat hij in vruchtgebruik heeft – en de bruiklener (in beginsel) niet. Dit is het zaaksgevolg. Ook hoeft de vruchtgebruiker zich niets gelegen te laten liggen aan later gevestigde rechten van vruchtgebruik of door de eigenaar overeengekomen rechten van bruikleen (dit is de prioriteit), terwijl de bruiklener een gelijke aanspraak heeft ten opzichte van andere bruikleners. Ten slotte het separatisme. Hoewel dit wellicht het sterkst tot uiting komt bij de rechten van pand en hypotheek (art. 57 Fw),16 speelt het ook in dit voorbeeld.17 De vruchtgebruiker kan het goed van anderen opvorderen met een zakelijke actie, ook in faillissement.18 Indien de eigenaar de overeenkomst jegens de bruiklener niet nakomt, kan de bruiklener in het faillissement van de eigenaar slechts zijn vordering19 ter verificatie indienen en met de andere schuldeisers concurreren.20
Voor het eigendomsrecht, toch het goederenrechtelijke recht bij uitstek,21 is het vreemd genoeg moeilijker om kenmerken aan te wijzen die het onderscheiden van persoonlijke rechten. Zoals gezegd worden de genoemde eigenschappen gezien als kenmerken van goederenrechtelijke rechten in het algemeen, en dus ook van het eigendomsrecht. Toch wringt er iets als deze eigenschappen worden vertaald naar het eigendomsrecht. Ten eerste het zaaksgevolg. Zaaksgevolg wil zeggen dat de rechthebbende zijn recht kan uitoefenen ongeacht onder wie het object van zijn recht zich bevindt. De rechthebbende kan een beperkt gerechtigde zijn die constateert dat het moederrecht is overgedragen, maar het kan ook een eigenaar zijn die het bezit van zijn zaak is verloren (zie art. 5:2 BW).22Ten tweede uit het prioriteitsbeginsel zich bij eigendom in het gegeven dat niet nogmaals een eigendomsrecht op de zaak gevestigd kan worden, maar dan voor een ander. Er bestaat “een verbod van doublure”.23 Ten slotte het separatisme. De eigenaar kan een goed dat zich feitelijk in de failliete boedel van een ander bevindt, revindiceren. In die zin is de eigenaar ook separatist in het faillissement van die ander.
Hieruit is af te leiden, dat zaaksgevolg, prioriteit en separatisme vertaald naar het eigendomsrecht betekenen: revindicatie en de constatering dat er maar één eigenaar tegelijk kan zijn. Dit komt neer op het absoluut of exclusief24 zijn van het eigendomsrecht – en dat is dan ook de manier waarop het eigendomsrecht meestal als goederenrechtelijk recht van de persoonlijke rechten wordt onderscheiden. Dat wil zeggen dat derden geen inbreuk mogen maken op het eigendomsrecht en de eigenaar van een zaak niet bij zijn gebruik, beheer of beschikking mogen storen. De eigenaar is exclusief bevoegd tot het gebruik en genot van de zaak.25 Laat dát nu juist een kenmerk zijn dat, zo stipte ik aan het begin van deze paragraaf al even aan, niet voorbehouden is aan het eigendomsrecht of goederenrechtelijke rechten in het algemeen.26
Ook op persoonlijke rechten mag men geen inbreuk maken en ook persoonlijke rechten hebben in die zin een absolute kant.27 Meestal wordt dit aangeduid met de term toebehoren.28 Het feit dat een persoonlijk recht, zoals een vordering, je toebehoort, betekent dat een ander zich niet voor mag doen als schuldeiser en op die manier bezit nemen van je vordering.29
Dit toebehoren zou ik niet als een aparte ‘laag’ binnen het systeem van het goederenrecht willen zien,30 omdat het toebehoren van een recht simpelweg besloten ligt in het bestaan van een recht zelf; het uitgangspunt is dat een recht aan een rechtssubject toebehoort.31 Stilstaan bij het toebehoren van een recht aan een subject vestigt echter wel de aandacht op het verschil tussen, wat wel genoemd wordt, de gerechtigdheid tot het recht en de gerechtigdheid uit het recht.32 Wanneer dit interne en externe perspectief33 van elkaar onderscheiden worden, blijkt dat zowel goederenrechtelijke rechten als persoonlijke rechten in zekere zin relatief én in zekere zin absoluut zijn. Relatief, omdat ook goederenrechtelijke rechten leiden tot verbintenissen tussen personen34 en absoluut, omdat ook persoonlijke rechten door ieder geëerbiedigd dienen te worden.35
14. Het voorgaande kan ons op drie manieren wat leren over het uniciteitsbeginsel. Ten eerste is er dus niet zo veel verschil tussen goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke rechten als op het eerste gezicht misschien gedacht.36 In het verbintenissenrecht wordt de prestatie gezien als object van de verbintenis.37 Voldoende is dat de te verrichten prestatie bepaalbaar is (art. 6:227 BW).38 Uniciteit lijkt in het verbintenissenrecht niet te gelden, of in ieder geval lijkt het geen punt van discussie te zijn.39 In de Nederlandse literatuur wordt opgemerkt dat een algemeenheid van goederen weliswaar geen object is van goederenrechtelijke rechten, maar niets eraan in de weg staat het tot onderwerp van verbintenissen te maken.40 Gegeven het feit dat goederenrechtelijke rechten ook een relatief aspect hebben, roept dit de vraag op waarom er een verschil zou moeten bestaan in de eisen die worden gesteld aan het object van verbintenisrechtelijke respectievelijk goederenrechtelijke rechten.
Ten tweede blijkt uit de constatering dat rechten uiteindelijk uitgeoefend worden tegen andere personen dat het spreken van goederenrechtelijke rechten ‘op’ objecten slechts een verkorte wijze van spreken is, een handige manier om het over het recht te hebben. Zeggen dat we te maken hebben met een goederenrechtelijk recht is een afgekorte manier van spreken om aan te geven dat bepaalde gevolgen aan het betreffende recht verbonden zijn. Natuurlijk komt het uiteindelijk aan op de aanspraken die een goederenrechtelijk recht je jegens anderen verleent, maar in plaats van de gevolgen hiervan telkens in detail uit te werken, kunnen we volstaan met de constatering dat het om een goederenrechtelijk recht gaat en spreken we voor het gemak bijvoorbeeld over een beperkt recht ‘op’ een vordering of ‘op’ een ander beperkt recht.41
Soms lijkt men dit uit het oog te verliezen. Rechten hebben geen bestaan buiten onszelf, buiten de mens. Hun ‘objecten’ daarom ook niet. Zoals de goederenrechtelijke rechten slechts een juridisch construct zijn, zijn hun objecten dat ook.42 Zelfs een zaak, een stoffelijk voorwerp, is geen rechtsobject totdat de mens het tot object maakt. Zoals Ploeger het omschrijft: “Zonder mens bestaan er geen zaken, slechts materie. Het is de menselijke geest die deze materie onderscheidt in zaken.”43 Ook de eigendomsrechten op zaken bestaan slechts bij de gratie van de mens.44 Bij onroerende zaken blijkt dit duidelijk: pas als we een stuk van het aardoppervlak aanwijzen en er een eigendomsrecht aan toekennen wordt dat deel van de aarde een rechtsobject.45 Tot die tijd was er geen object binnen het aardoppervlak aan te wijzen. Bij roerende zaken is dat in wezen niet anders: door regels van bestanddeelvorming, nattrekking, vermenging en zaaksvorming wordt duidelijk wat het juridisch relevante object is.46 Het object is ‘datgene waar het vermogensrecht de rechthebbende recht op geeft’ en het spreken van een recht ‘op’ een object slechts een handige abstractie om de juridische verhoudingen mee samen te vatten.
Ten derde is het de vraag of de intellectuele eigendomsrechten (IE-rechten) ook onder de goederenrechtelijke rechten geschaard zouden moeten worden, aangezien het eigendomsrecht onder de goederenrechtelijke rechten geschaard wordt en de IE-rechten net als het eigendomsrecht als absolute rechten worden gezien.47 Zo is Van Engelen van mening dat IE-rechten goederenrechtelijke rechten zijn. Doorgaans worden ze echter niet als zodanig beschouwd. Desalniettemin lijken IE-rechten in ieder geval verdacht veel op goederenrechtelijke rechten. Het bestaan ervan maakt duidelijk dat analoog aan de eigendom op zaken, er ook ‘eigendom’ (zo mogen we het vanwege de definitie van art. 5:1 BW echter niet noemen) kan bestaan op ‘immateriële objecten’.48
15. De nuancering van de klassieke indeling van eigendom en beperkte rechten49 als goederenrechtelijke rechten (en het uitsluiten van IE-rechten daarvan) laat zien dat het uniciteitsbeginsel geenszins een noodzakelijkheid is, zoals ook nog zal blijken bij bestudering van het Franse recht.50
Ondanks de nuancering van het onderscheid tussen goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke rechten wordt dit onderscheid nog altijd gehanteerd. En het verschil valt wellicht ook niet helemaal weg te redeneren. Het eigendomsrecht heeft betrekking op een stoffelijk object in de werkelijkheid en richt zich daarom potentieel tot ieder ander, terwijl dat bij persoonlijke rechten zoals vorderingen duidelijk niet het geval is. Een vorderingsrecht richt zich in eerste instantie tegen een specifiek persoon (of specifieke personen). Anderen moeten zich onthouden van inbreuk op het persoonlijke recht, maar op hen rust niet dezelfde verplichting als op de debiteur.51 En bij beperkte rechten is een duidelijk verschil aan te wijzen met persoonlijke rechten, zoals het voorbeeld met het vruchtgebruik en bruikleen heeft laten zien.
Dit onderzoek zal dan ook uitgaan van het traditionele onderscheid tussen goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke rechten en het eigendomsrecht en de beperkte rechten beschouwen als de goederenrechtelijke rechten.52 De objecten van de goederenrechtelijke rechten zijn dan ten eerste de objecten van het eigendomsrecht, de zaken, en ten tweede de objecten van beperkte rechten, de goederen (zaken en vermogensrechten). Dit beeld geldt zowel voor het Nederlandse, het Duitse als het Franse recht,53 al zal men voor het Duitse recht onder ‘goederen’ de Rechte dienen te verstaan54 en twist men er in de Franse rechtsliteratuur over of gezegd kan worden dat vorderingen object van een eigendomsrecht zijn.55
De genoemde objecten bevinden zich op verschillende (denkbeeldige) niveaus. De vraag of er sprake is van één goederenrechtelijk recht op meerdere objecten kan zich daarom ook op verschillende niveaus afspelen: op het niveau van het eigendomsrecht met als object één of meer zaken en op het niveau van een beperkt recht, met als object één of meer goederen. En er is nóg een niveau waarop de vraag zich kan voordoen. Ik wil namelijk van dit onderzoek geen definitiekwestie maken. Ik bedoel daarmee dat het er mij niet om gaat dat we bijvoorbeeld een onderneming (bij wet) zouden kunnen definiëren als goed of zaak in de zin van art. 3:1 BW en dat daarmee ‘het probleem’ opgelost zou zijn. Het gaat me juist om de vraag waarom dat niet is gebeurd. Waarom zien we bijvoorbeeld de onderneming, maar ook een kudde schapen, een aandeel in een ontbonden huwelijksgemeenschap, of twee onroerende zaken niet als één rechtsobject? Ook op het niveau van het object zelf speelt dus de vraag naar uniciteit.56
Overigens zal ik in dit proefschrift vanwege het leesgemak regelmatig simpelweg spreken van ‘rechten op goederen’. Gezien het voorgaande moet men zich realiseren dat ik mij daarmee eigenlijk niet (altijd) zorgvuldig uitdruk. Naast het niveau van de beperkte rechten die op goederen rusten, betrek ik namelijk ook het niveau van het eigendomsrecht, dat op zaken rust, in mijn onderzoek. Van het eigendomsrecht kan niet goed gezegd worden dat het een ‘recht op een goed’ is, aangezien het eigendomsrecht zelf het goed is.57 De zaak zelf, het object van het eigendomsrecht, is zo bezien geen goed, maar een niet-juridische entiteit.