Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/166:166 Het tijdstip waarop de vordering bepaald moet zijn
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/166
166 Het tijdstip waarop de vordering bepaald moet zijn
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 25-08-2025
- Datum
25-08-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD23373:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kortmann 1996 in nr. 2 van zijn annotatie in AA van het arrest Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q., Brahn/Reehuis 1997, nr. 40, Struycken 1997, p. 122 en 134, Verhagen en Rongen 2000, p. 91, Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 316 en 325, Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 214a en Beekhoven van den Boezem 2003a, p. 12.
Vgl. J.J. van Hees in zijn noot in JOR onder HR 21 mei 1999, JOR 1999/167, NJ 1999, 733 m.nt. JH.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onbetwist is dat het goederenrechtelijk bepaaldheidsvereiste vereist dat uiterlijk bij de overdracht kan worden vastgesteld welk goed wordt geleverd c.q. dat uiterlijk bij het ontstaan van het beperkte recht kan worden vastgesteld op welk goed een beperkt recht wordt gevestigd. De te verpanden vordering moet op dat tijdstip met behulp van de omschrijving in de pandakte individualiseerbaar zijn.1 Voor een toekomstige vordering die bij voorbaat wordt verpand betekent dit, dat de vordering op die wijze te individualiseren moet zijn op het moment waarop zij in het vermogen van de pandgever ontstaat casu quo waarop zij door hem wordt verkregen; op dat moment ontstaat ook het pandrecht op de vordering.
Dit betekent voor de verpanding van vorderingen niet, dat pandgever en pandhouder op het tijdstip waarop het pandrecht ontstaat (door het verlijden van de authentieke of het opmaken en registreren van de onderhandse pandakte casu quo, in geval van verpanding bij voorbaat van toekomstige vorderingen, door het ontstaan van de vordering in het vermogen van de pandgever) op enigerlei wijze de te verpanden vordering(en) individueel moeten hebben aangewezen, bijvoorbeeld doordat zij beschikken over een lijst van de betreffende vorderingen; dat ‘aanwijzen’ mag achteraf, mits ook op het tijdstip van het ontstaan van het pandrecht een dergelijke individualisering mogelijk geweest zou zijn. Zijn de te verpanden vorderingen in de pandakte bijvoorbeeld globaal omschreven en zijn deze met behulp van de administratie van de pandgever te individualiseren, dan zijn de vorderingen in de akte met voldoende bepaaldheid omschreven. Is daarentegen individualisering niet mogelijk, bijvoorbeeld doordat de pandgever geen administratie van zijn vorderingen bijhoudt, dan zijn de vorderingen door een globale omschrijving in de pandakte onvoldoende bepaald.2 Voor de goede orde: dat ‘aanwijzen’ heeft geen enkele goederenrechtelijke betekenis; een vordering die ontstaat in het vermogen van de pandgever is bij dat ontstaan wel of niet belast met een pandrecht als gevolg van een eerdere verpanding bij voorbaat.