Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/365:365 Conclusie: geen wetswijziging
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/365
365 Conclusie: geen wetswijziging
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 11-05-2026
- Datum
11-05-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD105458:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is onduidelijk of hetgeen in de vorige paragrafen is geschreven over de bevoegdheden om de vordering opeisbaar te maken, niet zijnde de in de wet opgenomen mogelijkheid om een vordering door opzegging opeisbaar te maken, het geldende recht weergeeft. Het is aannemelijk dat een redelijke wetsuitleg tot de conclusie leidt dat dit zo is, omdat de wetgever met de in art. 3:246 lid 2 BW opgenomen bepaling dat de inningsbevoegde pandhouder bevoegd is de vordering door opzegging opeisbaar te maken, bedoeld zal hebben dat een vordering die op een eenvoudige wijze opeisbaar kan worden gemaakt, in beginsel op die wijze door de hoogst gerangschikte openbaar pandhouder, met uitsluiting van de andere pandhouders, opeisbaar kan worden gemaakt.
Geconcludeerd mag worden dat de inningsbevoegde pandhouder, met uitsluiting van de andere pandhouders, bevoegd is een recht uit te oefenen waardoor een verpande vordering opeisbaar kan worden gemaakt tenzij (i) de uitoefening van een dergelijk recht voor de pandgever gevolgen heeft met een ruimer bereik dan de verpande vordering of (ii) ingrijpende gevolgen heeft voor de pandgever of (iii) het recht van de pandgever op grond van de wet, naar zijn aard of op grond van een overeenkomst als een uitsluitend door de pandgever uit te oefenen recht moet worden aangemerkt. In het algemeen zal ook de pandgever tot de uitoefening van een dergelijk recht bevoegd blijven.