Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/12.1
Paragraaf 12.1 Inleiding
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS391793:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Zie de doelstellingen van de EU in art. 3 lid 3 Geconsolideerde versie van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van 30 maart 2010 (VWEU), PbEU 2010, C 83/47.
Zie bijv. Mörsdorf 2009.
Van der Sangen 2006, p. 182; zie ook Vossestein 2009, p. 189; Schutte-Veenstra 2011, p. 9; Teichmann 2009; Teichmann 2011, p. 659.
HvJ EG 13 december 2005, C-411/03, Jur. 2005, p. I-10805, NJ 2009/201, r.o. 19 (SEVICSystems AG).
HvJ EG 13 december 2005, C-411/03, Jur. 2005, p. I-10805, NJ 2009/201, r.o. 31 (SEVICSystems AG).
Vgl. Teichmann 2011, p. 663; HvJ EU 12 juli 2012, C-378/10, RO 2012/60, r.o. 34 (VALE Építési) met verwijzing naar HvJ EG 12 september 2006, C-196/04, Jur. 2006, p. I-7995, r.o. 54 (Cadbury Schweppes) en de daar aangehaalde rechtspraak. Zie ook Leible & Hoffmann 2009.
Ook wel de Gebhard-formule genoemd, zie bijv. Teichmann 2011, p. 655.
Zie onder andere HvJ EG 30 november 1995, C-55/94, Jur. 1993, p. I-1663, r.o. 37 (Gebhard); HvJ EG 31 maart 1993, C-19/92, Jur. 1993, p. I-1663, r.o. 32 (Kraus); HvJ EG 30 September 2003, C-167/01, Jur. 2003, p. I-10155, NJ 2004/394 (Kamer van Koophandelen Fabrieken voor Amsterdam/Inspire Art Ltd.); HvJ EG 11 maart 2004, C-9/02, r.o. 49 (DeLasteyrie du Saillant); HvJ EU 29 november 2011, C-371/10, Ondernemingsrecht 2012/41, m.nt. Hanny Schutte-Veenstra (National Grid Indus).
HvJ EG 21 november 2002, C-436/00, NJ 2003/704, r.o. 49 (X en Y).
Om onder meer economische groei en werkgelegenheid in Europa te bevorderen en te faciliteren, heeft de Europese Unie (EU) een interne markt tot stand gebracht.1 Een belangrijk onderdeel van een goed functionerende interne markt is het bevorderen en garanderen van de (grensoverschrijdende) mobiliteit van onderdanen van de lidstaten via de vrijheid van vestiging.2 ‘Onderdanen van een lidstaat’ zijn onder andere de vennootschappen die in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de EU hebben en die winst beogen (art. 54 lid 2 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, VWEU). Ook personenvennootschappen met of zonder rechtspersoonlijkheid vallen hieronder.3
Op grond van de vrijheid van vestiging hebben vennootschappen onder andere de vrijheid tot oprichting en beheer van vennootschappen en tot samenwerking en reorganisatie4 in andere lidstaten en hebben zij het recht om daarbij gelijk te worden behandeld als de nationale vennootschappen van die andere lidstaten (art. 49 VWEU). Dit betekent dat als een lidstaat een bepaalde faciliteit biedt aan nationale vennootschappen, zij deze in beginsel ook aan een naar het recht van een andere lidstaat opgerichte vennootschap moet bieden.5 Er is alleen sprake van vestiging in de zin van art. 49 VWEU als daadwerkelijk en voor onbepaalde tijd een economische activiteit wordt uitgeoefend door middel van een duurzame vestiging in de lidstaat van ontvangst;6 er moet dus sprake zijn van een reële band met de lidstaat waar men zich vestigt.
De lidstaten hebben de plicht ervoor te zorgen dat de vestigingsvrijheid kan worden uitgeoefend, ongeacht of voor een bepaalde wijze van grensoverschrijding Unieregels7 zijn opgesteld en ongeacht of voor de internationale situatie nationale regels bestaan. Indien er voor een onder de vestigingsvrijheid vallende situatie slechts nationale regels bestaan, dan is het de verantwoordelijkheid van de betrokken lidstaat om eventuele knelpunten op te lossen. Beperkingen van de vestigingsvrijheid van de onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat zijn in beginsel verboden. Een rechtvaardiging van een beperking kan zijn gelegen in een in art. 52 lid 1 VWEU genoemde reden: de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid. Ook dwingende redenen van algemeen belang kunnen een belemmering/beperking van het vestigingsrecht rechtvaardigen. In het laatste geval is volgens het Hof van Justitie EU (hierna: HvJ EU) een belemmering/beperking van de vestigingsvrijheid door nationale maatregelen op grond van de rule of reasontoets8 slechts toegestaan als:9
zij haar rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang, waaronder bescherming van de belangen van schuldeisers, minderheidsaandeelhouders en werknemers (Überseering-arrest, punt 92);
zij voldoet aan het proportionaliteitsvereiste: zij moet geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en daarbij niet verder gaan dan nodig is;
het nagestreefde doel zich met de Europese verdragen verdraagt10 én
de maatregel zonder discriminatie wordt toegepast.
Een algemene weigering van grensoverschrijdende herstructurering is altijd uit den boze, omdat dan ook herstructureringen worden verhinderd als geen van de te beschermen belangen wordt bedreigd.
Ik zal in dit hoofdstuk onderzoeken wat de positie van de Nederlandse VOF in de EU is: in hoeverre zijn de uitspraken van de Europese rechter en Europese regelgeving relevant voor deze contractuele samenwerking zonder rechtspersoonlijkheid? Ik richt mij daarbij specifiek op de volgende wijzen van grensoverschrijdende participatie:
oprichting van een vestiging/filiaal in een andere lidstaat dan de lidstaat van oprichting (Centros-arrest en Inspire Art-arrest);
verplaatsing van de werkelijke zetel (de bedrijfsactiviteiten) van een Nederlandse VOF naar een andere lidstaat (Cartesio-arrest, Daily Mailarrest en Überseering-arrest);
grensoverschrijdende juridische fusie (Sevic-arrest);
grensoverschrijdende verplaatsing van de statutaire zetel (Cartesio-arrest en Vale-arrest).
De problematiek die niet specifiek op de VOF ziet, zal ik zoveel mogelijk buiten beschouwing laten.