Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/7.6
7.6 Conclusies
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS598776:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Dat laatste doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de hoofduitbesteder toelaat dat in de uitbestedingsketen een “cascade-proces” ontstaat waarbij elke schakel een smaller begrip van (uitbestedings)risico hanteert, of waarbij sommige schakels te vergaand worden geëxonereerd. Zie par. 7.4.
Overigens kan in sommige gevallen art. 7:420 BW een uitkomst bieden. Dat is in ieder geval niet het geval voor begunstigden van pensioenfondsen die (delen van) het vermogensbeheer hebben uitbesteed. Zie par. 7.4.
Dit hoofdstuk betreft de onderzoeksvraag hoe een uitbesteding de positie van de cliënt raakt, maar in het bijzonder de positie van de begunstigde van een pensioenfonds.
In beginsel wordt de positie van een cliënt van een financiële onderneming niet door een uitbesteding geraakt. De uitbestedingsregels scheppen geen nieuwe verbintenissen voor de uitbesteder jegens zijn cliënten. Ze dienen enkel tot waarborg dat de uitbesteder de verbintenissen nakomt die hij jegens de cliënt is aangegaan. Cliënten komt daarom geen vordering toe tot nakoming van die uitbestedingsregels en ook geen vordering uit wanprestatie wegens schending ervan. Hen komt wel een vordering toe tot nakoming van de verbintenissen die de (uitbestedende) onderneming met hen is aangegaan, zoals de uitvoering van een betaalopdracht. Dat de financiële onderneming (onderdelen van) werkzaamheden heeft uitbesteed die voor de nakoming relevant zijn, maakt daarbij niets uit. De uitbestedende onderneming is jegens haar cliënten volledig aansprakelijk voor tekortkomingen in de nakoming van haar verbintenissen, ook wanneer die tekortkomingen zijn veroorzaakt door gebreken in de uitbestedingsketen, of door gebreken in de aansturing van die keten.1 De positie van de cliënt wordt niettemin toch geraakt in het geval van een faillissement van de financiële onderneming.2
Voor begunstigden van een pensioenfonds ligt de situatie net wat genuanceerder. Ook de begunstigde ontleent geen (nieuwe) rechten aan de uitbestedingsregels. Hij heeft wel aanspraak op nakoming van de verbintenissen uit het pensioenreglement. Daarbij moet men onderscheid maken tussen zuivere premieregelingen en andere pensioenregelingen. De aard van de toekenning van pensioenaanspraken en de rol van de prudent person-regel is bij een zuivere premieregeling anders dan bij andere pensioenregelingen.
Bij pensioenregelingen die geen zuivere premieregeling zijn, bestaat de centrale verbintenis uit de toekenning van een pensioenaanspraak van enig bedrag. Is de begunstigde reeds gepensioneerd, dan gaat het om uitkering van die pensioenaanspraak. Het betreft een resultaatsverbintenis. De prudent person-regel dient bij zulke regelingen tot waarborg dat het pensioenfonds te zijner tijd de toegekende pensioenaanspraken ook kan nakomen. Ze schept (net als de uitbestedingsregels) uit zichzelf geen verbintenissen jegens de begunstigde. Schiet het pensioenfonds (al dan niet via het handelen van zijn dienstverlener) tekort in de naleving van de prudent person-regel, dan kan de begunstigde geen nakoming van die prudent person-regel vorderen. Hij kan enkel nakoming vorderen van waar hij recht op heeft: de toekenning of uitkering van een pensioenaanspraak.
Bij een zuivere premieregeling daarentegen, bestaat de centrale verbintenis uit een zorgplicht. Het gaat om een inspanningsverplichting: het pensioenfonds moet zorgvuldig beleggen. De pensioenaanspraak van de begunstigde is niet een bepaald bedrag, maar hangt direct samen met het succes van de beleggingen. De naleving van de prudent person-regel dient hier niet tot waarborg dat het pensioenfonds te zijner tijd de pensioenaanspraken kan nakomen. De prudent person-regel is hier de centrale verplichting. Het gaat om een inspanningsverplichting, gelijk die van een vermogensbeheerder. Schending van de prudent person-regel geeft de begunstigde van een zuivere premieregeling wél een aanspraak op schadevergoeding. Deze schadevergoeding aan begunstigden van een zuivere premieregelingen komt ten laste van de buffers die zijn opgebouwd door de (bijdragen van de) andere begunstigden van het pensioenfonds.
In het ergste geval kunnen tekortkomingen in het (al dan niet uitbestede) vermogensbeheer ertoe leiden dat het fonds door zijn financiële buffers zakt en zijn begunstigden in hun aanspraken moet korten. Een korting van pensioenaanspraken treft óók de begunstigden van een zuivere premieregeling. Een vordering tot schadevergoeding biedt dan geen soelaas. In een situatie van onderdekking is een te betalen schadevergoeding aan de gezamenlijke begunstigden een sigaar uit eigen doos.
Een begunstigde van een pensioenfonds is veelal door verplichte deelneming of het ontbreken van een mogelijkheid tot waardeoverdracht, aan dat pensioenfonds gebonden. Anders dan een gewone cliënt van een financiële onderneming, kan hij dan ook niet opzeggen, wanneer hij geen of weinig vertrouwen heeft in de nakoming van zijn rechten. De Pensioenwet voorziet om die reden voor de begunstigden in mogelijkheden om via vertegenwoordigers invloed uit te oefenen binnen dat pensioenfonds.
De wijze van invloed hangt af van het bestuursmodel dat het pensioenfonds hanteert. Bij pensioenfondsen die een van de onafhankelijke bestuursmodellen hanteren, is er een belanghebbendenorgaan. De andere pensioenfondsen beschikken over een verantwoordingsorgaan. De bevoegdheden van het belanghebbendenorgaan gaan beduidend verder dan die van het verantwoordingsorgaan. Daar staat tegenover dat in pensioenfondsen die een verantwoordingsorgaan hebben, de begunstigden een vertegenwoordiging in het bestuur hebben. Bij de onafhankelijke bestuursmodellen ontbreekt die vertegenwoordiging in het bestuur.
De invloed van deze inspraakorganen verloopt primair via adviesrechten en (voor het belanghebbendenorgaan ook via) goedkeuringsrechten. Worden de adviesrechten geschonden of genegeerd, dan staat voor het inspraakorgaan beroep open bij de Ondernemingskamer. Is de situatie zo ernstig dat het bestuur ernstige reden geeft om te twijfelen aan een juist beleid, dan kan het inspraakorgaan gebruik maken van zijn enquêtebevoegdheid. De institutionele bevoegdheden van de inspraakorganen moet niet worden onderschat.