Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/8.4.4
8.4.4 Voortzetting met erfgenamen van de overleden vennoot
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS388278:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Van der Ploeg 1984, p. 185-186 leidt uit de twee hieronder genoemde arresten van de Hoge Raad af dat art. 7A:1688 BW alleen geldt voor het geval dat de vennootschap wordt voortgezet met ‘alle erfgenamen’ en niet met één met name genoemde erfgenaam.
Heuff 1970, p. 28.
Van der Ploeg 1984, p. 178-179. Hij baseert dit op het oordeel van de Hoge Raad 31 januari 1877, W. 4093 dat ‘zoodanig beding daarstelt zowel een regt als een verpligting van den erfgenaam’. Hij volgt A-G Polis in zijn opvatting in de conclusie bij dit arrest dat ook een minderjarige erfgenaam tot voortzetting verplicht is zonder dat zijn voogd hiertoe de machtiging als bedoeld in art. 1:351 lid 1 BW hoeft te vragen. Het art. 7A:1688 BW beding beperkt dus de verplichtingen van de voogd. Overigens neemt dit niet weg dat de minderjarige niet zelfstandig bevoegd is om namens of voor rekening van de vennootschap rechtshandelingen te verrichten, maar daarbij vertegenwoordigd moet worden door zijn voogd (zie arrest van de HR).
Al wordt ook wel de opvatting gehuldigd dat de erfgenaam niet van rechtswege vennoot wordt, maar dat het beding als bedoeld in art. 7A:1688 BW een derdenbeding is dat nog aanvaard moet worden. Hij moet om vennoot te worden immers ook de wil hebben tot samenwerking. Bij niet aanvaarding van het beding pleegt de erfgenaam wel wanprestatie jegens de overblijvende vennoten. Zie bijv. Heuff 1970, p. 29-30.
Slagter/Assink 2013, p. 2016. Anders: Heuff 1970, p. 30.
HR 10 februari 1921, NJ 1921, p. 409.
Zo ook Van der Ploeg 1984, p. 181-182; Slagter/Assink 2013, p. 2002.
Van Solinge 1976, p. 148-151.
Een erflater kan niet bij uiterste wilsbeschikking iemand aanwijzen als zijn opvolger in de VOF, omdat hiervoor wijziging van de vennootschapsovereenkomst en dus medewerking van de overige vennoten is vereist. Wel kan de vennootschapsovereenkomst bepalen dat de VOF wordt voortgezet tussen de overblijvende vennoten en de erfgenamen1 van een overleden vennoot. Dit beding moet op grond van art. 7A:1688 BW worden nagekomen. Volgens Van der Ploeg betekent dit zowel dat de overblijvende vennoten de plicht hebben om de VOF met de erfgenamen voort te zetten2 als dat de erfgenamen aan het beding gebonden zijn.3 De erfgenamen worden van rechtswege4 gezamenlijk (dus één) vennoot5 en hebben dezelfde rechten en verplichtingen als de erflater. Zo mag een voortzettend erfgenaam de VOF geen concurrentie aandoen, zelfs al was hij voor de opvolging concurrent van de VOF.6 De erfgenaam die de erflater niet wil opvolgen, zal de nalatenschap moeten verwerpen (hij voldoet dan niet meer aan het erfgenaamcriterium van art. 7A:1688 BW).7 Het staat een erfgenaam immers niet vrij om een keuze te maken uit rechten die hij wel en niet wil aanvaarden. Van Solinge ziet in deze uitleg een te grote inbreuk op de persoonlijke vrijheid van de erfgenamen; zijn voorkeur gaat uit naar de uitleg van het artikel als een derdenbeding.8 De erfgenaam kan de opvolging krachtens het derdenbeding dan afwijzen, zonder dat hij de nalatenschap krachtens erfrecht hoeft te verwerpen en vice versa.