Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/8.2
Paragraaf 8.2 Hoofdregel: volledige ontbinding
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS384626:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 februari 1935, NJ 1935/1513.
Rb. Almelo 6 januari 2010, JOR 2010/58 (Wilke/Olde Daalhuis).
Rb. Almelo 6 januari 2010, JOR 2010/58, r.o. 6 (Wilke/Olde Daalhuis).
Rb. Almelo 6 januari 2010, JOR 2010/58, r.o. 6 (Wilke/Olde Daalhuis).
Fleischer & Schneider 2012.
Fleischer & Schneider 2012.
HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251, RO 2015/28 (VDV Totaalbouw).
Ook een rechtspersoon wordt niet door faillissement ontbonden. Op grond van art. 2:19 lid 1 sub c BW geschiedt ontbinding van de rechtspersoon pas door opheffing van het faillissement wegens gebrek aan baten (art. 16 lid 1 Fw) of door insolventie (art. 173 lid 1 Fw).
Van Solinge 1994, p. 71 en 265.
Zie Schöne, BeckOK BGB, § 727, aant. 3 (online, laatst bijgewerkt op 1 mei 2015) en de daar vermelde literatuur en jurisprudentie.
Zie Kamerstukken II 1982/83, 17896, 3, p. 10.
Voor de inwerkingtreding van het NBW was de ontbindingsgrond wegens gewichtige redenen slechts van toepassing op maatschappen voor bepaalde tijd aangegaan, maar in het NBW is dit, in overeenstemming met HR 3 december 1948, NJ 1949/358 (N.V. Geldersch Dagblad), tot maatschappen aangegaan voor onbepaalde tijd uitgebreid. Zie Kamerstukken II 1982/83, 17896, 1-2, p. 6 en Kamerstukken II 1982/83, 17 896, 3, p. 9 (MvT).
Vgl. Kamerstukken II 2002/03, 28746, 3, p. 32 (MvT bij art. 820).
Hof Amsterdam 11 september 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX7072 (Vervolg De Eglantier).
Rb. Utrecht 15 april 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BI1184 (De Eglantier).
Rb. Arnhem 5 december 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BC1178, JOR 2008/31, m.nt. J.M. Blanco Fernández.
Zie bijv. HR 3 december 1948, NJ 1949/358 (N.V. Geldersch Dagblad).
Rb. Den Haag (vzr.) 16 augustus 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR5082, r.o. 3.3.
Zie Kamerstukken II 1982/83, 17896, 3, p. 10 (invoering Boeken 3-6 BW): ‘Deze(onvoorziene omstandigheden, PMB) onderscheidt zich van de onderhavige bepaling o.m.daardoor dat zij naast volledige ontbinding ook gedeeltelijke ontbinding en wijziging van deovereenkomst mogelijk maken.’
Aldus Kamerstukken II 2002/03, 28746, 3, p. 29 en 31 over het huidige recht en Asser/Maeijer 5-V 1995/219-220.
Kamerstukken II 2002/03, 28746, 3, p. 32. Zie ook Slagter 2004, p. 17.
Zo ook Mohr 2009, p. 351.
HR 5 juni 1970, ECLI:NL:HR:1970:AB7022, NJ 1970/429 (Nederveen/Chambille).
HR 13 juni 1969, ECLI:NL:HR:1969:AB4665, NJ 1969/384, m.nt. G.J. Scholten (Warnderink Vinke).
De personenvennootschap wordt van oudsher gezien als een samenwerking intuitu personae. De personen van de vennoten zijn van zodanig groot belang dat uit- en toetredingen, tenzij anders overeengekomen, tot ontbinding van rechtswege van de vennootschap leiden.1 De artikelen 7A:1683 en 7A:1684 BW sommen vijf, niet-limitatieve,2 gronden voor ontbinding van de personenvennootschap op. Als één van de volgende gebeurtenissen zich voordoet en er is niets anders overeengekomen, dan wordt de VOF in haar geheel ontbonden:
verloop van de tijd waarvoor de VOF is aangegaan (art. 7A:1683 aanhef en sub 1 BW);
het tenietgaan van een goed of de volbrenging van de handeling die het onderwerp van de VOF uitmaakt (art. 7A:1683 aanhef en sub 2 BW);
opzegging van een vennoot aan de andere vennoten (art. 7A:1683 aanhef en sub 3 BW);
de dood, de curatele, het faillissement of de van toepassing verklaring van de Wsnp van/op een vennoot (art. 7A:1683 aanhef en sub 4 BW) en
op vordering van een vennoot kan de rechter de VOF ontbinden wegens gewichtige redenen (art. 7A:1684 BW).
Ad 1) en ad 2) Als een VOF voor een bepaalde tijd is aangegaan en deze tijd is verlopen of als het goed of de handeling die het onderwerp van de VOF uitmaakte, tenietgaat respectievelijk wordt volbracht, dan wordt de VOF van rechtswege ontbonden.
Ad 3) Als een vennoot de samenwerking wil beëindigen, dan moet zijn opzegging op grond van art. 7A:1683 BW aan alle vennoten geschieden. Opzegging is een eenzijdige rechtshandeling die alleen rechtsgeldig is als deze uitdrukkelijk aan alle overige vennoten is geschied.3 ‘Uitdrukkelijke opzegging’ kan mondeling of schriftelijk geschieden, maar een uitdrukkelijke opzegging kan ook in een gedraging ten opzichte van de andere vennoten besloten liggen. De vennoten moeten in elk geval daadwerkelijk van de opzegging in kennis zijn gesteld en het moet hen duidelijk zijn dat de opzegger de VOF wil beëindigen.4 Een opzegging die is gedaan in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid is vernietigbaar (art. 7A:1686 lid 1 BW). Vennootschappen voor bepaalde tijd of voor een bepaald werk aangegaan kunnen niet worden opgezegd, tenzij dit is bedongen (art. 7A:1686 lid 2 BW). Voorts kan in de vennootschapsovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan worden bepaald dat de opzegging niet of niet gedurende een bepaalde tijd kan plaatsvinden.5
De vennootschapsovereenkomst kan voorzien in een regeling die ziet op voortzetting bij potentiële toekomstige impasses. Dergelijke clausules beschrijven de impassesituaties die aanleiding kunnen geven tot beëindiging van de samenwerking (bijv.: het niet eens kunnen worden over bepaalde belangrijke beslissingen) en de gevolgen van deze beëindiging (bijv.: wie zet op welke wijze voort).6 De clausule kan daarbij voorzien in een verplichte afkoelings- of onderhandelingsperiode zodra een beschreven impassesituatie zich voordoet, in welke periode de VOF niet wordt beëindigd en waarin kan worden onderzocht of oplossing van het probleem en dus voortzetting van de samenwerking mogelijk is.7
Ad 4) Er zijn mij geen gevallen bekend waarin de rechter oordeelde dat het faillissement van een vennoot bij ontbreken van een voortzettingsbeding niet leidde tot algehele ontbinding van de VOF. Het faillissement van de vennootschap zelf wordt in de wet niet als ontbindingsgrond genoemd. Toen het faillissement van de VOF nog automatisch tot het faillissement van de vennoten leidde, werd de VOF in elk geval door dat laatste ontbonden. Omdat de vennoten sinds het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 20158 niet langer automatisch failliet gaan als de VOF failliet wordt verklaard, het faillissement van de VOF geen wettelijke ontbindingsgrond is en ik geen dringende reden zie om aan te nemen dat de VOF door haar faillissement wel automatisch ontbonden wordt, zal het faillissement van de VOF niet meer automatisch tot haar ontbinding te leiden.9 Daardoor hoeft de VOF niet langer vereffend te worden en kan haar onderneming, nadat het faillissement van de VOF is afgewikkeld, worden voortgezet.
Ook de dood en de curatele van een vennoot hebben ontbinding van rechtswege tot gevolg. Volgens Van Solinge wordt op grond van art. 7A:1683 aanhef en sub 4 BW de maatschap ook ontbonden als een BV die lid is van de maatschap als verdwijnende vennootschap fuseert, omdat de BV dan ophoudt te bestaan.10 Inderdaad verzet het persoonlijke karakter van het lidmaatschap van de personenvennootschap zich er mijns inziens tegen dat dit lidmaatschap bij juridische fusie of splitsing van de vennoot-BV onder algemene titel over gaat op een andere rechtspersoon. De BV die door fusie ophoudt te bestaan, treedt dus van rechtswege uit de VOF, net als de vennoot natuurlijk persoon die overlijdt. Als de vennoten anders willen, dan zullen zij dit moeten regelen in de vennootschapsovereenkomst. Ook in het Duitse recht wordt aangenomen dat de Vollbeendigung (ophouden te bestaan) van een vennoot die personenvennootschap of rechtspersoon is, gelijk staat aan de dood van een vennoot. De enkele Auflösung (ontbinding) van een vennootpersonenvennootschap of een vennoot-rechtspersoon leidt in Duitsland, evenals in Nederland, niet tot het uittreden van de ontbonden vennoot uit de vennootschap waarin hij vennoot is.11
Ad 5) De rechter kan de vennootschapsovereenkomst op vordering van iedere vennoot volledig12 ontbinden wegens gewichtige redenen; hij is hiertoe niet verplicht.13 Er is sprake van een gewichtige reden voor ontbinding als, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs van één of meer van de vennoten niet langer kan worden gevergd om het vennootschappelijke verband voort te zetten.14 Denkbaar is dat sprake is van een onoplosbare ruzie tussen de vennoten of dat een vennoot wanprestatie pleegt. De Rechtbank Utrecht oordeelde (en het Hof Amsterdam bevestigde in hoger beroep15 ) dat er sprake was van zodanig handelen van een vennoot dat voortzetting van de overeenkomst in de verhouding tot die vennoot in redelijkheid niet van de overige vennoten verlangd kon worden, toen bleek dat een vennoot bijna de helft van de vastgestelde jaaromzet niet aan cliënten had gefactureerd, bedragen had overgeboekt naar andere dossiers en dat een gebrek aan commitment bestond.16 Voor ontbinding wegens gewichtige redenen is niet vereist dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van een vennoot. Ook ziekte (overmacht) kan een gewichtige reden voor ontbinding zijn.17
De rechter kan de vordering tot ontbinding toewijzen onder door hem te stellen voorwaarden en ook kan hij een partij die in de naleving van haar verplichtingen toerekenbaar is tekort geschoten (wanprestatie) met overeenkomstige toepassing van art. 6:277 BW tot schadevergoeding veroordelen (art. 7A:1684 lid 2 BW).18In een zaak waarin de twee vennoten totaal verschillende visies hadden op de bedrijfsvoering die leidden tot (escalatie van) conflicten, oordeelde de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag dat ontbinding door de bodemrechter voor de hand lag.19 Omdat er sprake was van een situatie die niet langer kon voortduren, nam de voorzieningenrechter een maatregel die ertoe leidde dat slechts één van de partijen voorlopig, tot aan de beslissing in de bodemprocedure, met uitsluiting van de andere partij de bevoegdheid kreeg om als vennoot in de VOF rechten of verplichtingen aan te gaan voor en namens de VOF. Nu de VOF ernstig rekening diende te houden met verliezen, was volgens de rechter de vennoot met de beste financiële draagkracht de meest gerede partij om de VOF te beheren.
Naast de in de maatschapstitel genoemde ontbindingsgronden, bevat ook Boek 6 BW een, niet specifiek voor vennootschapsovereenkomsten geschreven, ontbindingsgrond: de onvoorziene omstandigheden van art. 6:258 BW. Een voordeel van een beroep op deze bepaling ten opzichte van een beroep op art. 7A:1684 BW is, dat de rechter in geval van een beroep op art. 6:258 BW meer mogelijkheden heeft dan alleen het wel of niet volledig ontbinden van de VOF. Hij kan bij onvoorziene omstandigheden ook de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden of de gevolgen van de overeenkomst wijzigen.20 De vraag rijst of een rechter, indien dit gevorderd wordt, op grond van art. 7A:1684 BW ook de VOF gedeeltelijk zal mogen ontbinden. Tegen gedeeltelijke ontbinding pleit dat dit in feite neerkomt op uitstoting van een vennoot, terwijl uitstoting door de rechter op grond van art. 7A:1684 BW alleen mogelijk is op grond van een daartoe strekkend beding in de vennootschapsovereenkomst.21 Voor gedeeltelijke ontbinding pleit de continuïteitsgedachte. In de memorie van toelichting bij het ingetrokken Wetsvoorstel personenvennootschappen kan men lezen dat gedeeltelijke ontbinding door de rechter wenselijk wordt geacht (dat daarop in de literatuur wordt aangedrongen).22 De rechter zou de VOF mijns inziens gedeeltelijk kunnen ontbinden door gebruik te maken van art. 7A:1684 lid 2 BW, op grond waarvan de rechter de vordering kan toewijzen onder voorwaarden.23 Voor een dergelijke voortzetting moet uiteraard wel draagvlak zijn bij in elk geval de voortzettende vennoten.
Van belang is dat de vennoten in de vennootschapsovereenkomst de wettelijke ontbindingsgronden kunnen aanvullen of ervan kunnen afwijken. Zo mag de vennootschapsovereenkomst een bepaling bevatten die de rechterlijke ontbindingsgrond op de voet van art. 7A:1684 BW in die zin uitbreidt, dat iedere vennoot het recht heeft om de onmiddellijke ontbinding van de VOF te vorderen indien een andere vennoot de bepalingen uit de vennootschapsovereenkomst overtreedt of niet nakomt.24 Ook kan de vennootschapsovereenkomst een beding bevatten dat ertoe strekt dat de rechter gedeeltelijk kan ontbinden.25 Verder kan de overeenkomst een of meer vennoten de bevoegdheid toekennen om een andere vennoot uit te stoten, bijvoorbeeld de seniorvennoot die de samenwerking aan een juniorvennoot opzegt. Die bevoegdheid moet dan wel berusten op een uitdrukkelijk daartoe strekkend beding.26