De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.3.5:3.4.3.5 Aansprakelijkheid bij de kapitaalvennootschap: aandeelhouders
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.3.5
3.4.3.5 Aansprakelijkheid bij de kapitaalvennootschap: aandeelhouders
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS391517:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Lennarts 2007, p. 975.
HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0401, NJ 1992/174 (Nimox), HR 6 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3045, JOR 2004/67 (Reinders Didam) en Rb. Rotterdam 15 april 1999, ECLI:NL:RBROT:1999:AG3389, JOR 1999/168 (Berger q.q./Molenaar).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
‘Een aandeelhouder is niet persoonlijk aansprakelijk voor hetgeen in naam van de vennootschap wordt verricht en is niet gehouden boven het bedrag dat op zijn aandelen behoort te worden gestort in de verliezen van de vennootschap bij te dragen’, aldus artikel 2:64/175 BW. Op deze beperkte aansprakelijkheid bestaat, zoals in paragraaf 3.4.3.3 reeds gezegd, wel een aantal uitzonderingen.
Allereerst kan een aandeelhouder, zoals reeds naar voren kwam in paragraaf 3.4.3.4, op grond van artikel 2:216 lid 1 jo. lid 3 BW jegens de vennootschap aansprakelijk zijn ingeval hij een uitkering ontving terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zou kunnen voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Hij is in dit geval gehouden om het door de uitkering ontstane tekort te vergoeden voor ten hoogste het bedrag van zijn ontvangen uitkering inclusief wettelijke rente (berekend vanaf de dag van uitkering). Het moet in dit geval dus gaan om een aandeelhouder te kwader trouw.1
Het risico op deze vorm van aansprakelijkheid voor beroepsbeoefenaren (zijnde aandeelhouder van de vennootschap) zal in de praktijk goed beheersbaar zijn; de aandeelhouder heeft immers invloed op zijn eigen gedrag. Bovendien heeft, zoals hiervoor reeds besproken, naast de aandeelhouders (ook) het bestuur een belangrijke functie bij het doen van uitkeringen; een besluit tot uitkering van de algemene vergadering is immers niet geldig zonder de goedkeuring van het bestuur.
Ook hierdoor wordt de kans op aansprakelijkheid voor het doen van ongeoorloofde uitkeringen, in beginsel, verkleind.
Een tweede relevante uitzondering op de hoofdregel van artikel 2:64/175 BW is de aansprakelijkheid van aandeelhouders jegens derden op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).
Zowel het nemen van een besluit tot uitkering als de uitvoering daarvan kan, onder bijzondere omstandigheden, onrechtmatig zijn tegenover crediteuren van de vennootschap. Uit de jurisprudentie volgt dat een aandeelhouder die een besluit tot uitkering heeft bewerkstelligd op grond van onrechtmatige daad tot vergoeding van schade kan worden aangesproken indien de uitkering tot benadeling van schuldeisers heeft geleid.2 Het risico op deze vorm van aansprakelijkheid zal voor beroepsbeoefenaren in de meeste gevallen echter niet zo groot zijn omdat de jurisprudentie in dit kader vooral ziet op concernverhoudingen.