De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/4.5:4.5 Bijzondere rechtsvorm: de coöperatie, een vreemde eend in de fiscale bijt
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/4.5
4.5 Bijzondere rechtsvorm: de coöperatie, een vreemde eend in de fiscale bijt
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS383127:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals hierboven reeds besproken, hoeft een vennootschap die van een andere vennootschap dividend ontvangt, deze uitkering niet tot de belastbare winst te rekenen.1 Hierdoor wordt binnen een concern maar één keer vennootschapsbelasting geheven over dezelfde winst. Deze zogenoemde deelnemingsvrijstelling geldt, zoals gezegd, alleen voor aandeelhouders die een belang van 5% of meer in een kwalificerende vennootschap bezitten. Voor de situatie waarop dit onderzoek ziet, namelijk de situatie waarin natuurlijke-personen-beroepsbeoefenaren direct of via persoonlijke holding-BV’s deelnemen in het geplaatst kapitaal van een kapitaalvennootschap die de praktijk uitoefent, geldt dus dat slechts van deze deelnemingsvrijstelling gebruik kan worden gemaakt wanneer er niet meer dan twintig aandeelhouders (samenwerkende vennoten) zijn.2 Voor een groep van meer dan twintig beroepsbeoefenaren die deel uitmaken van een samenwerkingsverband in de vorm van een kapitaalvennootschap is het niet van toepassing zijn van de deelnemingsvrijstelling een groot bezwaar.
Voor de coöperatie geldt deze voorwaarde (van een bezit van 5% of meer) echter niet. Op grond van artikel 13 lid 2 sub c Wet Vpb 1969 geldt voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op de coöperatie slechts de eis van lidmaatschap, zonder dat wordt gekeken naar de omvang van dit lidmaatschap.3 Beroepsbeoefenaren die kiezen voor de rechtsvorm van de coöperatie kunnen dus met een onbeperkt aantal leden gebruikmaken van de deelnemingsvrijstelling.4 Voor samenwerkingsverbanden van meer dan twintig beroepsbeoefenaren die, op grond van de hoogte van hun winst, kiezen voor de rechtsvorm van een rechtspersoon (en dus de Vpb) is de coöperatie fiscaal gezien dus de gunstigste rechtsvorm.
In de praktijk ziet men vaak dat grote samenwerkingsverbanden van beroepsbeoefenaren (met name juridische dienstverleners) op civiele gronden kiezen voor de rechtsvorm van de NV. Om dan toch gebruik te kunnen blijven maken van de deelnemingsvrijstelling wordt, indien de NV meer dan twintig aandeelhouders zou hebben, de coöperatie gebruikt als houdster van de aandelen in de NV en vindt de samenwerking tussen (de kapitaalvennootschappen van) de beroepsbeoefenaren plaats op het niveau van de coöperatie. De (kapitaalvennootschappen van) beroepsbeoefenaren zijn dan lid van de coöperatie en genieten op grond van het bepaalde in artikel 13 lid 2 sub c Wet Vpb 1969 de deelnemingsvrijstelling ten aanzien van de winst die wordt genoten uit de coöperatie.