Fusies en overnames in de Europese BTW
Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/1.6:1.6 Onderzoeksmethode
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/1.6
1.6 Onderzoeksmethode
Documentgegevens:
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS416976:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Daarbij moet evenwel worden erkend dat gebruik van het woord ‘geruisloos’ in het licht van de beroemde paradox van de btw, als misleidend kan worden gezien. Gezien het kernelement van de regeling is dat bij fictie geen leveringen en diensten worden waargenomen en hierdoor geen heffing van btw plaatsvindt, acht ik die aanduiding evenwel gerechtvaardigd.
HvJ EG 27 november 2003, nr. C-497/01, V-N 2003/61.18 (Zita Modes).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gezien het Unierechtelijke karakter van de btw neem ik de bepalingen van de Btw-richtlijn en de uitleg hiervan door het Hof van Justitie steeds als uitgangspunt. Het is dan ook primair de Europese btw die centraal staat in dit onderzoek. Echter, omdat de specifieke problematiek zich in eerste instantie zal voordoen op nationaal niveau zal ik veelvuldig de nationale uitvoering en toepassing van de regels bespreken. Nederland is daarbij het uitgangspunt. Daarbij geldt dat de Nederlandse implementatie van de algemeenheid van goederen tot 1998, althans tekstueel, afweek van de regeling zoals opgenomen in de richtlijn. Waar het Nederlandse btw-recht lacunes laat zien of vragen oproept, zoek ik in voorkomend geval aansluiting bij het recht van andere lidstaten. Bevindingen uit andere lidstaten dienen in die gevallen zogezegd als contrastvloeistof, om verschillen in implementatie en interpretatie in beeld te brengen. Niet beoogd is een uitputtend rechtsvergelijkend onderzoek te doen.
In algemene zin zal ik in eerste instantie steeds verwijzen naar de bepalingen uit de Btw-richtlijn. Voor zover ik evenwel de nationale implementatie en rechtspraak bespreek, verwijs ik vanzelfsprekend naar de bepalingen in deWet OB 1968 en andere Nederlandse regelgeving. Als gevolg van het feit dat artikel 19 Btw-richtlijn een kan-bepaling betreft, is bij het bespreken van casuïstiek veelal de Nederlandse bepaling aan de orde en niet de aan de lidstaten geboden mogelijkheid in de Btw-richtlijn. Op die punten verwijs ik derhalve naar het Nederlandse recht.
Zoals opgemerkt duid ik de regeling voor de overgang of overdracht van een algemeenheid van goederen en/of diensten in dit onderzoek in beginsel aan als ‘de geruisloze overgang’.1 Deze aanduiding voorkomt voortdurende voorbehouden met betrekking tot het onderscheid tussen de algemeenheid van goederen (artikel 19 Btw-richtlijn) en de algemeenheid van diensten (artikel 29 Btw-richtlijn). Daarnaast creëert het een onderscheid tussen (toepassing van) de faciliteit (het geruisloos overgaan) en het samenstel aan zaken dat hiervoor in aanmerking komt (de algemeenheid van goederen). Waar ik dat samenstel aan zaken aanduid als ‘algemeenheid van goederen’, begrijp ik hieronder steeds lichamelijke en eventueel onlichamelijke zaken zoals bedoeld in het arrest Zita Modes.2 De term ‘algemeenheid van goederen’ is in die zin niet beperkt tot goederen. In dit verband en ten behoeve van de leesbaarheid verwijs ik niet steeds naar artikel 19 én 29 Btw-richtlijn, maar volsta ik met een verwijzing naar artikel 19 Btw-richtlijn. Waar overgangen die louter of hoofdzakelijk bestaan uit onlichamelijke zaken aan de orde zijn, spreek ik over de algemeenheid van diensten, en verwijs ik afzonderlijk naar artikel 29 Btw-richtlijn.
Steeds breng ik het positieve recht ten eerste in kaart via de normen in het geschreven recht. Deze zijn te vinden in de Btw-richtlijn, de Btw-uitvoeringsverordening, de Wet OB 1968 en lagere nationale regelgeving. Die geschreven normen vormen de basis en worden verder ingevuld in rechtspraak en literatuur. Met name de rechtspraak vormt een belangrijke bron van (btw-)recht. Hierbij is de rechtspraak van het Hof van Justitie steeds mijn uitgangspunt. Daarnaast bespreek ik Nederlandse rechtspraak. In dit verband staat in de eerste plaats de rechtspraak van de Hoge Raad centraal. In voorkomend geval bespreek ik rechtspraak van lagere rechters. Op een aantal plekken verwijs ik naar rechtspraak van buitenlandse rechters. Ook hier geldt dat die verwijzingen ertoe dienen verschillen in implementatie en interpretatie in kaart te brengen. Ook betrek ik nationale en internationale fiscaal-wetenschappelijke literatuur in mijn onderzoek.