Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/10.5
10.5 Herroepelijkheid
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS374400:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
W. Snijders 1999 I, p. 564. Zie over het terugkomen op een omzettingsverklaring B.M. Katan, ‘’Zomaar’ terugkomen op een rechtshandeling’, WPNR 6910 (2011).
Bakels 1993, p. 131.
Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 BW, p. 1161 (MvA II Inv.). Zie ook Schoordijk 1986, p. 173.
Strijbos 1985, p. 81 en 134; Groene Serie Huurrecht, art. 7:271 BW, aant. 2.3.1 en 2.6, E.E. de Wijckersloot-Vinke. Volgens de Hoge Raad kan een opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever alleen worden ingetrokken met instemming van de werknemer, HR 11 december 2009, NJ 2010/97.
Vonck 2013, p. 268.
Potjewijd 2002, p. 26.
Faber 2005, nr. 138.
Art. 4:190 lid 4 BW; Hof ’s-Hertogenbosch 29 november 2011,NJF 2012/338; Asser/Perrick 4 2013/557.
W. Snijders 1999 II, p. 589.
De herroepelijkheid kan door de verklarende echter worden uitgesloten, zie art. 6:219 lid 1 BW; art. 7:968 onder d BW. Volmacht kan alleen onherroepelijk worden verleend in de in art. 3:74 lid 1 BW omschreven gevallen.
Zie daarnaast bv. ook art. 7:968 BW voor herroepelijkheid van de aanwijzing van een begunstigde van een sommenverzekering. Ook ten aanzien van uiterste wilsbeschikkingen spreekt de wet van herroeping. Dat is echter een geval van intrekking, nu gebondenheid aan de rechtshandeling voorkomen wordt door de wilsbeschikking te annuleren voordat die werking heeft verkregen. De uiterste wilsbeschikking verkrijgt pas werking na overlijden. Het is geen rechtshandeling onder opschortende voorwaarde, waarbij de voorwaarde het overlijden van de erflater is. De uiterste wilsbeschikking schept bij leven nog geen enkele aanspraak voor of rechtsverhouding met de erfgenamen.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/365; HR 10 maart 1995, NJ 1995/595 (Janssen Pers).
Art. 5:143 lid 2 BW.
Zie hierover uitgebreid par. 8.5.
433. Een eenmaal verrichte rechtshandeling is in beginsel onherroepelijk. Als de handelende partij zichzelf door zijn wilsverklaring heeft gebonden, dan kan hij die gebondenheid niet door herroeping ongedaan maken, tenzij de wet die mogelijkheid toekent of hij zich de bevoegdheid daartoe heeft voorbehouden. Dit geldt zowel voor gerichte als voor ongerichte eenzijdige rechtshandelingen. De onherroepelijkheid van contracten vloeit voort uit het adagium pacta sunt servanda. De bindende kracht berust mijns inziens niet uitsluitend op het feit dat partijen zich over en weer contractueel hebben verbonden. Als een partij gebruik heeft gemaakt van zijn partij-autonomie door zijn wil te verklaren op een manier waaruit anderen mogen afleiden dat hij zich wil binden, kan hij die gebondenheid niet eenzijdig ontkennen. Dit geldt ook voor eenzijdige rechtshandelingen.
W. Snijders stelt dat de uitoefening van een wilsrecht in beginsel onherroepelijk is.1 Onherroepelijkheid is aangenomen voor ontbinding,2 vernietiging,3 opzegging van overeenkomsten4 en beperkte rechten5, bekrachtiging,6 verrekening,7 aanvaarding of verwerping van een legaat of nalatenschap8 en de ongedaanmaking van de wettelijke verdeling van de nalatenschap.9 Het recht is verbruikt.
434. De wet bepaalt voor een aantal eenzijdige rechtshandelingen dat zij in beginsel10 herroepelijk zijn, zoals voor het aanbod (art. 6:219 BW) en de volmachtverlening (art. 3:72 sub c BW).11 Voor een aantal andere eenzijdige rechtshandelingen bestaat geen expliciete herroepingsmogelijkheid, maar is wel een voorziening in de wet opgenomen dat door het verrichten van een nieuwe rechtshandeling de rechtsgevolgen van de oorspronkelijke rechtshandeling worden beëindigd.
Zo kan een besluit de facto worden herroepen door een nieuw besluit te nemen dat het eerste besluit als het ware overschrijft.12Art. 2:404 BW bevat een regeling voor het beëindigen van de aansprakelijkheid uit een 403-verklaring door het deponeren van een daartoe strekkende verklaring bij het handelsregister. De rechtsgevolgen van een splitsing in appartementsrechten kunnen worden beëindigd door inschrijving in de openbare registers van een akte ter opheffing van de splitsing.13 Een eenmaal opgerichte rechtspersoon kan worden ontbonden op de wijzen waarin de wet in art. 2:19 en art. 2:19a BW voorziet.
Deze gevallen zijn voorbeelden van ongerichte eenzijdige rechtshandelingen. Dit type rechtshandelingen heeft geen directe geadresseerde en wordt niet verricht in de context van een meerzijdige rechtsverhouding. Als de partij die de rechtshandeling verrichtte, de rechtsgevolgen wil opheffen, kan dat niet door een regeling te treffen met een wederpartij. De wet geeft in deze gevallen mogelijkheden om de verrichtende partij niet oneindig op te zadelen met de rechtsgevolgen.
435. Een laatste eenzijdige rechtshandeling die in dit verband aandacht verdient, is de toestemming. Zoals in hoofdstuk 8 aan de orde kwam, bevat het BW vele toestemmingsfiguren. Voor sommige voorbeelden van toestemming is in de wet expliciet aangegeven dat herroeping niet mogelijk is, zoals in art. 6:156 BW voor toestemming die is verleend voor schuldoverneming. Voor andere is wettelijk vastgelegd dat toestemming juist wel kan worden herroepen, bijvoorbeeld in art. 5 Wet bescherming persoonsgegevens. Voor veel gevallen van toestemming ontbreekt echter wettelijk uitsluitsel. Partijen kunnen zelf afspraken maken over de herroepelijkheid van gegeven toestemming. Bij gebrek aan wettelijke regeling en partij-afspraak, is toestemming die wordt gegeven voor één handeling onherroepelijk, maar toestemming voor een reeks van handelingen of voor het scheppen van een voortdurende toestand, in beginsel herroepelijk.14
436. Concluderend kan worden gesteld dat eenzijdige rechtshandelingen in beginsel onherroepelijk zijn, tenzij herroepelijkheid is voorbehouden. Voor een aantal gerichte eenzijdige rechtshandelingen bepaalt de wet dat zij herroepelijk (kunnen) zijn. Ongerichte eenzijdige rechtshandelingen zijn niet herroepelijk, maar wel ‘overschrijfbaar’. Dit stemt overeen met het feit dat deze eenzijdige rechtshandelingen geen geadresseerde hebben en er dus niemand is tot wie de herroeping kan worden gericht.