Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.9.4.10:III.9.4.10 Aanpassing artikel 174, lid 2, onderdeel b/c, Btw-richtlijn
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.9.4.10
III.9.4.10 Aanpassing artikel 174, lid 2, onderdeel b/c, Btw-richtlijn
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS496569:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Deel I en II van dit onderzoek is op een aantal plaatsen de werking van artikel 174, lid 2, onderdeel b/c, Btw-richtlijn aan de orde gekomen (zie par. 3.3.7.2, 3.5.2, 4.6.4, 5.6, 6.5.4, 6.8.3 en 7.7.3). Op basis van deze bepaling dient de omzet uit onder meer bijkomstige financiële handelingen buiten beschouwing te blijven bij de bepaling van het pro rata. De ratio daarachter is dat het pro rata, hoewel het inherent grofmazig is, zo goed mogelijk het werkelijke gebruik van ingekochte goederen en diensten zou moeten weergeven. In dat kader is van belang rekenschap te geven van de omstandigheid dat niet alle prestaties een gebruik van ingekochte goederen en diensten impliceren dat evenredig is aan de daarmee gerealiseerde omzet. Voor onder meer financiële handelingen, zoals overdrachten van aandelen, obligaties en schuldvorderingen of het verlenen van krediet, kan dit in het bijzonder gelden. Naar de huidige stand van het recht mogen de voor dergelijke handelingen ontvangen vergoedingen buiten beschouwing blijven bij de bepaling van het pro rata als (i) de handeling een bijkomstig karakter heeft en (ii) een hooguit zeer beperkt gebruik van ingekochte goederen en diensten impliceert die door de algemene kosten worden vertegenwoordigd.
De voorwaarde van het bijkomstige karakter van handelingen draagt bij aan een knelpunt met de strekking van de belasting, in die zin dat daardoor in voorkomende gevallen in te beperkte mate recht op aftrek van voorbelasting bestaat (zie par. 8.2.3). In extreme gevallen kan de voorwaarde van bijkomstigheid zelfs in de weg staan aan eliminatie van omzetten uit de berekening van het pro rata die in het geheel geen gebruik van ingekochte prestaties impliceren. Eén en ander zal minder snel optreden als, bijvoorbeeld, het verlenen van krediet en het overdragen van aandelen niet langer zonder meer een dienst zouden impliceren (zie par. 9.4.7). Desondanks is mijns inziens de vraag of ‘bijkomstige handelingen’ in artikel 174, lid 2, onderdelen b en c, Btw-richtlijn niet beter vervangen kan worden door ‘handelingen die hooguit een zeer beperkt gebruik van ingekochte goederen en diensten impliceren’. Als een handeling nauwelijks gebruik van ingekochte prestaties veronderstelt, volgt de aftrek van voorbelasting het gebruik dan niet nauwkeuriger als de ontvangen vergoeding voor dat krediet hoe dan ook wordt genegeerd? Naar mijn mening is dat het geval.