Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.2.4.3:I.2.4.3 Verbruik vloeit voort uit productie
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.2.4.3
I.2.4.3 Verbruik vloeit voort uit productie
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS492894:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
A.L.C. Simons, ‘Theorie voor een algemene verbruiksbelasting (I)’, WFR 1963/326.
J.C.L. Huiskamp, De omzetbelasting in internationaal verband, Deventer: N.V. Uitgeversmaatschappij Æ.E. Kluwer 1966, p. 113.
Zie voor een andere visie K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de btw (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2002, p. 49; Van Norden 2007, p. 27.
Zie artikel 3, lid 3, en 4, lid 2, Wet OB 1968 en artikel 16, 18, 26 en 27 Btw-richtlijn.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vooral in de jaren zestig van de vorige eeuw is het begrip ‘verbruik’ in de literatuur in een economische en maatschappelijke context geplaatst, zoals door Pierson bedoeld. Zo merkt Simons op dat een wezenskenmerk van de maatschappij is dat verbruik veelal wordt overgedragen.1 Huiskamp spreekt van een ruilsfeer in de betekenis van het ‘maatschappelijke gebeuren, dat aan de “economische consumptie” voorafgaat’.2 Naar mijn mening hebben deze uitspraken weinig aan actualiteit ingeboet. Ook doet er niet aan af dat zij dateren van voor de invoering van de omzetbelasting volgens het btw-stelsel. Integendeel zelfs. Het systeem van de omzetbelasting volgens het btw-stelsel is bij uitstek geënt op de idee dat verbruik ontstaat bij overdracht aan eindverbruikers van in ondernemingen voortgebrachte en voortgestuwde goederen en diensten. Lezing van artikel 1 Btw-richtlijn maakt dit al duidelijk: het btw-stelsel moet worden toegepast in de productie- en distributieketen van goederen en diensten, tot en met de kleinhandelsfase aan toe. De uitwerking van de belasting is bovendien dat heffing plaatsvindt bij ‘overdracht’ van goederen en diensten door iemand die een economische activiteit verricht en dat de heffing definitief wordt als de verkrijger iemand is die dat niet doet. Zodoende is sprake van heffing over consumptie die door ondernemingen mogelijk wordt gemaakt met als maatstaf de geconsolideerde omzet van die ondernemingen. De elementen omzetbelasting en verbruiksbelasting zijn zo in harmonie.
Mede gelet op de formulering van artikel 1, lid 2, Btw-richtlijn valt moeilijk voor te stellen dat de (Unie)wetgever voor ogen heeft gehad ook verbruik te belasten dat zonder overdracht vanuit een productie- en distributieketen tot stand komt. De gedachte dat het niet belasten van consumptie van binnen consumptiehuishoudingen voortgebrachte goederen en diensten op doelmatigheidsoverwegingen stoelt, is naar mijn mening daarom onjuist.3 Aan de juistheid van het uitgangspunt dat een overdracht is vereist, doet verder niet af dat in een beperkt aantal gevallen, zoals bij invoer en de interne heffingen,4 heffing van omzetbelasting plaatsvindt zonder overdracht. Evenmin doet daaraan af dat onder meer bij uitvoer ondanks een overdracht geen heffing plaatsvindt. Deze afwijkingen zijn verklaarbaar en noodzakelijk vanwege het streven de belasting zo neutraal mogelijk te maken. Afwezigheid van heffing bij invoer zou immers een concurrentievoordeel opleveren voor van buiten de Unie afkomstige goederen, terwijl heffing bij uitvoer tot een concurrentienadeel leidt voor van binnen de Unie afkomstige goederen. Naar mijn mening kan daarom worden volgehouden dat verbruik in de zin van de omzetbelasting consumptie van goederen en diensten is die vanuit een productie- en distributieketen (ondernemingen) zijn overgedragen.