Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/10.3.2
10.3.2 Vormvoorschriften
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS379242:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Als voor de volmachtverlening een vormvereiste geldt, geldt datzelfde vereiste voor bekrachtiging, zie art. 3:69 lid 2 BW. Volmachtverlening is in beginsel echter vormvrij, zie art. 3:61 lid 1 BW.
Als de overeenkomst langs elektronische weg is gesloten, kan zij ook langs elektronische weg worden ontbonden, art. 6:267 lid 1, tweede zin BW. Zie ook Bakels 2011, nr. 9. Art. 6:267 BW is van regelend recht, dus partijen kunnen een specifiek vormvoorschrift stellen, of vormvrijheid overeenkomen. Ook op grond van de redelijkheid en billijkheid kan een uitzondering worden aangenomen op het vormvoorschrift, vgl. Bakels 1993, p. 126.
In geval van een codicil: een onderhands, door de erflater met de hand geschreven, gedagtekend en ondertekend document.
Namelijk door het prijsgeven van het bezit.
Art. 2:128 BW jo. 2:238 lid 2 BW. Statuten of reglementen kunnen nadere vormvereisten opleggen.
Art. 2:286 BW voor de stichting, art. 2:175 lid 2 BW voor de BV, art. 2:64 lid 2 BW voor de NV. Oprichting van een VVE geschiedt in de notariële splitsingsakte, vgl. art. 5:111 jo. 5:112 lid 1 sub e BW.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 1005 (TM); Bakels 1993, p. 123.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I 2012/403.
Snijders nuanceert het verschil door te stellen dat wanneer geen vorm is voorgeschreven, degene die de verklaring ontvangt een schriftelijke bevestiging kan eisen en, als deze uitblijft, kan stellen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar is om hem aan die verklaring te houden, zie W. Snijders 1999 I, p. 562.
Bakels 2011, nr. 9. Hij stelt zich de vraag of het verschil verklaard kan worden door het feit dat ontbinding altijd gericht is tot een wederpartij, terwijl een vernietigingsverklaring ook een ongerichte eenzijdige rechtshandeling kan betreffen. Hij verwerpt dit echter als te weinig bevredigend. Ongerichte eenzijdige rechtshandelingen komen weinig voor, dus zelfs als voor deze gevallen vormvrijheid zou gelden, dan had er een bijzondere regeling getroffen moeten worden voor vernietiging van gerichte eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen. Zie ook Bakels 1993, p. 124. Hijma overweegt dat de kans op chicanes groter lijkt bij ontbinding dan bij vernietiging, maar dat fundamenteel geen verschil bestaat, zie Hijma 1988, p. 137.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3, p. 1160 (MvA II); Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 223 (Rapport aan de Koningin); Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/618; zie ook HR 18 december 1953, NJ 1954/ 65 (Krautien/Het Concertgebouw NV) over het inroepen van nietigheid van een ontslag.
Bakels 1993, p. 123.
Hijma 1988, p. 138.
Zie zijn bespreking van Hijma’s dissertatie in WPNR 5941 (1989), p. 778-779. Hij krijgt navolging van T. Hartlief en A.G. Luttik, ‘De wijze van vernietiging en ontbinding in het Nieuw BW’, Kwartaalbericht NBW 1990/3, p. 78-79, die pleiten voor afschaffing van de schriftelijkheidseis. Zie ook Hammerstein en Vranken 2003, nr. 26.
Art. 4:201 lid 3 BW; Asser/Perrick 4* 2013, nr. 557.
Groene Serie Erfrecht, art. 4:201 BW, aant. 5, B.E. Reinhartz.
424. Art. 3:37 lid 1 BW bepaalt dat verklaringen in iedere vorm kunnen geschieden en dat zij in een of meer gedragingen besloten kunnen liggen, tenzij anders is bepaald. Deze regel geldt voor alle rechtshandelingen, dus ook eenzijdige.
Gerichte eenzijdige rechtshandelingen
Aanbod
Vormvrij
Herroeping
Vormvrij
Bevestiging
Vormvrij
Bekrachtiging
Vormvrij1
Ontbinding
Schriftelijk2
Vernietiging
Vormvrij
Toestemming
Vormvrij
Opzegging van overeenkomsten
Vormvrij
Opzegging van beperkte rechten
Bij exploit/vormvrij3
Verrekening
Vormvrij
Volmachtverlening
Vormvrij
Uitloving
Vormvrij
Aanvaarding of verwerping van een aanbod
Vormvrij
Aanzegging in de zin van art. 3:57 BW
Vormvrij
Afstand van wilsrechten
Vormvrij
Ongerichte eenzijdige rechtshandelingen
Uiterste wilsbeschikking
Afd. 4.4.4. BW.
Belangrijkste voorschriften:
gemaakt door één persoon;
geen andere rechtshandelingen in de uiterste wil;
notariële tussenkomst is vereist (ofwel notariële akte ofwel inbewaringgeving bij notaris), behalve wanneer het gebruik van een codicil is toegestaan.4
403-verklaring
Schriftelijke verklaring, gedeponeerd bij het handelsregister
Derelictie
Vormvrij5
Besluit van een rechtspersoon
Besluit is resultaat van stemuitbrenging. Stemuitbrenging is vormvrij, maar moet buiten vergadering schriftelijk.6
Oprichting van een rechtspersoon
Notariële akte.7 Bestuurders zijn verplicht tot inschrijving van de akte in het handelsregister.
Splitsing in appartementsrechten
Notariële akte en inschrijving daarvan in de openbare registers.
Verwerping of aanvaarding van een nalatenschap
Afleggen van verklaring ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis, ingeschreven in het boedelregister.
Verwerping van een legaat
Vormvrij
Ongedaanmaking wettelijke verdeling van een nalatenschap
Notariële akte
Afstand van huwelijksgemeenschap
Akte van afstand, binnen drie maanden na ontbinding van de gemeenschap inschrijving in het huwelijksgoederen-register.
425. Gerichte eenzijdige rechtshandelingen kunnen doorgaans vormvrij verricht worden. Afwijkend is dat buitengerechtelijke ontbinding van een overeenkomst in beginsel schriftelijk moet en dat voor de opzegging van sommige beperkte rechten een exploit vereist is. Het vormvereiste voor opzegging van een beperkt recht hangt samen met de goederenrechtelijke gevolgen van de opzegging en haar karakter als quasi-overdracht.
Dat voor ontbindingsverklaringen in beginsel een vormvoorschrift geldt, berust op de wens van de wetgever om de wederpartij van de ontbindende te beschermen tegen ontkenning achteraf.8 Daarnaast verschaft schriftelijkheid duidelijkheid aan de schuldenaar of hij nog dient te presteren.9 Voor de ontbindende partij is het vormvoorschrift een nadeel, nu een mondelinge verklaring in beginsel geen rechtskracht heeft. Hij wordt volgens Bakels echter ook beschermd tegen ‘eigen onberadenheid’, wat gunstig kan zijn gelet op de mogelijke consequenties van ongerechtvaardigde ontbinding.
Het vormvoorschrift voor ontbinding is niet in lijn met de vormvrijheid van vernietiging, opzegging en herroeping.10 De argumenten voor de schriftelijkheidseis voor ontbinding kunnen ook worden aangevoerd voor vernietiging.11 Schriftelijkheid zou voor vernietiging wellicht zelfs eerder op zijn plaats zijn, gezien de terugwerkende kracht en de goederenrechtelijke werking.12 Dat vernietiging in beginsel vormvrij kan, wordt op twee gronden gemotiveerd. Enerzijds met het argument dat vernietigbaarheid vaak wordt toegekend ter bescherming van een partij die veelal weinig juridische kennis heeft, zoals een consument. Een mondelinge verklaring moet voldoende zijn om de mogelijkheid tot vernietiging uit te oefenen, opdat de wederpartij zich later niet op het niet-inachtnemen van de vereiste vorm kan beroepen.13 Ten tweede zijn nietigheid en vernietigbaarheid door art. 3:40 lid 2 BW niet steeds eenvoudig te onderscheiden, en is het dus niet wenselijk als voor vernietiging een drempel wordt opgeworpen door een bepaalde vorm te eisen.14
Een aantal auteurs heeft gepleit tegen het vormvereiste voor ontbinding. Bakels meent dat de paternalistische motieven van de wetgever niet passen in de huidige maatschappelijke ontwikkelingen. Processueel sluit het vormvoorschrift niet aan bij de deformaliseringstendens en in rechtsvergelijkend opzicht is zij bevreemdend.15 Hijma heeft voorgesteld dat vernietiging en ontbinding beide vormvrij moeten kunnen geschieden, waarbij de geadresseerde van de verklaring om schriftelijke vastlegging kan vragen.16 Brunner wijst dit af omdat de wederpartij die om schriftelijke bevestiging vraagt, erkent dat er reeds mondeling is ontbonden, wat ongunstig is voor zijn processuele positie.17
426. Waar voor gerichte eenzijdige rechtshandelingen vormvrijheid als hoofdregel geldt, zijn ongerichte eenzijdige rechtshandelingen vrijwel allemaal aan vormvoorschriften onderworpen. Het nemen van een besluit door een rechtspersoon wordt echter gezien als een vormvrije rechtshandeling.18 Het besluit is het resultaat van het behalen van een meerderheid aan stemmen. Stemmen mag vormvrij, althans als dat ter vergadering gebeurt. Daarbuiten moet stemuitbrenging schriftelijk.
De andere uitzondering is de verwerping van het legaat, dat weliswaar ondubbelzinnig moet geschieden, maar niet aan enige vorm is gebonden.19 Het verschil met de verwerping van een nalatenschap, waarvoor als vormvereiste geldt dat de verklaring moet zijn afgelegd ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis en moet worden ingeschreven in het boedelregister, is dat de legataris onder bijzondere titel verkrijgt en niet aansprakelijk wordt voor de schulden van de nalatenschap. Hij verkrijgt een vorderingsrecht op de erfgenamen. Het rechtsgevolg van verwerping is het tenietgaan van dat vorderingsrecht, wat veel minder ingrijpend is dan het rechtsgevolg van verwerping van een nalatenschap.20
427. Aan het verschil tussen enerzijds de vormvrijheid als hoofdregel bij gerichte eenzijdige rechtshandelingen en de formaliteit bij ongerichte eenzijdige rechtshandelingen ligt een beschermingsgedachte ten grondslag. Kenmerkend voor eenzijdige rechtshandelingen is dat het rechtsgevolg intreedt door de wilsverklaring van de handelende partij. De geadresseerde, of een ander wiens positie wordt beïnvloed door de eenzijdige rechtshandeling, heeft geen invloed op de totstandkoming. Gerichte rechtshandelingen worden verricht in de context van een reeds bestaande rechtsverhouding, waarin partijen elkaar kennen en met elkaar communiceren. Er zijn minder waarborgen nodig voor de partij tot wie de eenzijdige rechtshandeling is gericht. Het belang van de wederpartij bij bijvoorbeeld een schriftelijk afschrift van de wilsverklaring, legt het af tegen het belang van eenvoud voor het economisch verkeer. De wederpartij kan uiteraard een schriftelijk bewijsstuk verlangen, maar hij moet daartoe zelf het initiatief nemen – de geldigheid van de wilsverklaring hangt er niet vanaf. Bovendien werkt een vormvoorschrift niet altijd ten gunste van de wederpartij. Nu nietigheid in beginsel de sanctie is voor het niet-voldoen aan een vormvoorschrift, zou ook de handelende persoon zich erop kunnen beroepen om onder de gevolgen van de eenzijdige rechtshandeling uit te komen. Vormvrijheid zorgt er dus ook voor dat de handelende partij is gebonden aan zijn wilsverklaring.
Die afweging valt bij ongerichte eenzijdige rechtshandelingen anders uit. Zulke eenzijdige rechtshandelingen kunnen betrokkenen rauw op hun dak vallen. De betrokkene is, zoals in nr. 412 ook bleek, niet een ‘wederpartij’, maar een ‘derde’, een buitenstaander. Die heeft meer behoefte aan de zekerheid die gepaard gaat met schriftelijke of notariële neerslag van de rechtshandeling.