Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/99:99 Oud recht: correctie in de rechtspraak
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/99
99 Oud recht: correctie in de rechtspraak
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 26-09-2025
- Datum
26-09-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD25070:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 3 januari 1941, NJ 1941, 470 m.nt. PS (Boerenleenbank Hazerswoude/Los) en HR 24 juni 1994, NJ 1995, 368 m.nt. HJS (INB/Klützow q.q.).
Zie bijvoorbeeld Reehuis 1987, nr. 3, Van Mierlo 1988, par. 4.3.1.3-4.3.2 en Kortmann en Van Hees 1995, p. 994-995.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder het oude recht is de overbedeling waartoe fiduciaire eigendom kon leiden gecorrigeerd in de rechtspraak van de Hoge Raad. Op grond van die rechtspraak was de fiduciair eigenaar verplicht bij het nemen van verhaal de voor verhaalsuitoefening door een pandhouder geldende regels zoveel mogelijk in acht te nemen.1 Zolang zijn schuldenaar nog niet in verzuim was, kon de fiduciair eigenaar niet rechtsgeldig bedingen dat hij het in zekerheid gegeven goed mocht behouden. Hij diende dit te gelde te maken en het surplus aan de zekerheidsgever of diens curator uit te keren.2