Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/65
65 Overdracht onder ontbindende voorwaarde
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 13-06-2025
- Datum
13-06-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD14287:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze te onderscheiden opvattingen Van Mierlo 1988, par. 2.1.1.
Zo ook reeds Snijders 1970, p. 30.
HR 3 oktober 1980, NJ 1981, 60 m.nt. WMK (Ontvanger/Schriks q.q.); zie over dit arrest Reehuis 1987, nr. 324 en Van Mierlo 1988, par. 2.1.2.
Vgl. Scheltema 2003, par. II.6.3.
Vgl. HR 3 januari 1941, NJ 1941, 470 m.nt. PS (Boerenleenbank Hazerswoude/Los) en HR 24 juni 1994, NJ 1995, 368 m.nt. HJS (INB/Klützow q.q.). Zie over het voorkómen van overbedeling van de zekerheidseigenaar nader de paragrafen 5.3.1.2 en 14.5.
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 468.
Aanvankelijk was het rechtskarakter van de fiduciaire eigendomsoverdracht onduidelijk. De literatuur was verdeeld. Verdedigd werd wel dat de zekerheidsoverdracht niet afweek van een gewone eigendomsoverdracht, zodat de schuldeiser eigenaar was en de schuldenaar houder voor de eigenaar-schuldeiser. Consequentie van deze opvatting was onder meer, dat voldoening van de schuld niet tot gevolg had dat de schuldenaar weer eigenaar werd, maar dat daarvoor overdracht door de schuldeiser aan de schuldenaar noodzakelijk was. Een andere opvatting was, dat de schuldenaar eigenaar van het in zekerheid overgedragen goed bleef en dat de schuldeiser een beperkt zekerheidsrecht had. Een derde opvatting was, dat een overdracht tot zekerheid een overdracht onder de ontbindende voorwaarde van betaling van de schuld was.1
In het arrest Ontvanger/Schriks q.q. oordeelde de Hoge Raad dat een zekerheidsoverdracht werd vermoed een overdracht onder de ontbindende voorwaarde van betaling van de schuld te zijn.2 De Hoge Raad overwoog dat een cessie tot zekerheid ook anders vorm kon worden gegeven,3 bijvoorbeeld doordat partijen overeenkwamen dat voldoening van de schuld uitsluitend obligatoire gevolgen had, zodat de schuldenaar pas weer eigenaar werd van de tot zekerheid overgedragen goederen door terugoverdracht door de fiduciaire eigenaar.4
Nadat de Hoge Raad het arrest Ontvanger/Schriks q.q. had gewezen stond vast dat, tenzij partijen anders waren overeengekomen, de schuldenaar wiens schuld voldaan was voordat de schuldeiser de overgedragen vorderingen had geïnd, weer rechthebbende werd van de overgedragen vorderingen. Hij werd dat door vervulling van de ontbindende voorwaarde waaraan het recht van de schuldeiser onderworpen was.5 Voldeed de schuldenaar niet aan zijn verplichtingen jegens de schuldeiser, dan kon deze tot inning van de aan hem overgedragen vorderingen overgaan en zich uit het geïnde voldoen. Inde hij een groter bedrag dan het bedrag dat hij van de schuldenaar te vorderen had, dan was hij gehouden dit surplus af te dragen aan de schuldenaar casu quo diens faillissementscurator. Deze verplichting vloeide voort uit enkele arresten van de Hoge Raad waarin hij had beslist dat een fiduciair eigenaar bij het nemen van verhaal zoveel mogelijk de voor verhaalsuitoefening door een hypotheek- of pandhouder geldende regels in acht diende te nemen.6
De cessie geschiedde in het vertrouwen (‘fiducia’) van de cedent dat de cessionaris geen verdergaand gebruik van zijn eigendomsrecht zou maken dan als zekerheid voor het door hem verstrekte krediet nodig was. Zo vertrouwde de cedent er bijvoorbeeld op dat de cessionaris de vordering niet zou innen voordat de cedent jegens de cessionaris in verzuim was.7