Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/64
64 Later: overdracht ten titel van zekerheid
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 13-06-2025
- Datum
13-06-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD14286:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Hof Leeuwarden 26 april 1905, W 8521 (Binnerts q.q./gemeente Opsterland e.a.), Hof Amsterdam 28 november 1919, NJ 1920, p. 956 e.v. (Kraakman q.q./Kochx en gemeente Velsen), Rb. Utrecht 11 november 1925, NJ 1927, p. 19 e.v. (Staatsen/Cremer), Rb. Rotterdam 28 september 1926, NJ 1927, p. 1486 e.v. (N.V. Bouwstoffen/Kok q.q.), Hof ’s-Hertogenbosch 12 oktober 1926, NJ 1927, p. 197 e.v. (Incasso Bank/Koessen), Rb. Haarlem 8 februari 1927, W 11638 (Hensen/Spaarnebank) en Hof Amsterdam 13 mei 1927, NJ 1928, p. 349 e.v. (Industrie- en Landbouwbank). Een enkele maal werd een cessie tot zekerheid als een verpanding uitgelegd: Rb. Rotterdam 14 november 1923, W 11167 (Boon/Den Haan) en Rb. Arnhem 23 juni 1927, NJ 1927, p. 1270 e.v. (Maas en Waalsche Bank). De Hoge Raad heeft pas in 1960 geoordeeld dat bij een cessie ten titel van zekerheid sprake kan zijn van een geldige titel van overdracht: HR 17 juni 1960, NJ 1962, 60 (Helmig/Smit q.q.). Met betrekking tot roerende zaken oordeelde de Hoge Raad in 1929 dat bij een overdracht ten titel van zekerheid sprake kan zijn van een geldige titel: HR 25 januari 1929, NJ 1929, p. 616 e.v. m.nt. PS, W 11951 m.nt. SB (Bierbrouwerij-arrest) en HR 21 juni 1929, NJ 1929, p. 1096 e.v., W 12010 m.nt. SB (Hakkers/Van Tilburg).
Zie Losecaat Vermeer 1928, p. 53-54.
Vgl. Van Mierlo 1988, par. 2.2.1.2-2.2.2. Zie over het ontstaan en de vormgeving van de fiduciaire eigendom tot zekerheid ook Struycken 2007, p. 489-494.
Vgl. HR 17 juni 1960, NJ 1962, 60 (Helmig/Smit q.q.).
Toen in de rechtspraak was uitgekristalliseerd dat bij een cessie ten titel van zekerheid geen sprake was van een ongeldige titel van overdracht,1 werd de cessie tot zekerheid meer en meer als zodanig vormgegeven: overeengekomen werd, dat de cessionaris zich uit de door hem terzake van de gecedeerde vorderingen ontvangen bedragen mocht voldoen en dat hij het meerdere zou afdragen aan de cedent.2 Zoals deze rechtsfiguur uiteindelijk een min of meer vaste vorm had gekregen kan de essentie ervan als volgt worden samengevat.3 Een schuldenaar en een schuldeiser kwamen overeen dat de schuldenaar geldvorderingen op zijn debiteuren tot zekerheid voor de betaling van een schuld van de schuldenaar aan de schuldeiser zou overdragen aan de schuldeiser. Door middel van cessie droeg de schuldenaar deze geldvorderingen, ongeacht de hoogte van de vordering van de schuldeiser, geheel, voor het volle bedrag van de vorderingen, over aan de schuldeiser.4 De cessie tot zekerheid was mogelijk zonder dat daarvan mededeling aan de debiteur van de vordering werd gedaan. Voor de geldige vestiging van een pandrecht op een vordering was mededeling daarvan aan de debiteur vereist.5 De levering van een vordering kon echter stil, zonder mededeling aan de debiteur, geschieden.6