Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/10.3.1
10.3.1 Een op rechtsgevolg gerichte wilsverklaring
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS375605:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:267 BW, aant. 1.1, W.H. van Boom.
Strijbos 1985, p. 114; HR 28 mei 1982, NJ 1983/2 (Coolwijk/Kroes) over de beëindiging van een dienstbetrekking; Asser/Heerma van Voss 7-V 2012/326.
HR 17 december 1997, BNB 1998/125.
HR 16 januari 1977, NJ 1977/97 (Venlo/Leenders); HR 1 juli 1983, NJ 1984/50; HR 18 april 1986, NJ 1987/480 (Turkyilmaz/Spinnerij De Wijs).
Vgl. Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 177 (MvA II); Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 588 (TM); Brunner 1992, p. 65; Hijma 1988, p. 172; Tjittes 1992, nr. 16; Aaftink 1974, p. 98.
Vgl. bv. ook HR 24 januari 1997, NJ 1997/231, waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat een wederpartij pas mag aannemen dat een volmacht ten voordele van een derde is verleend als dit ondubbelzinnig uit de volmacht blijkt.
Conclusie bij HR 18 april 1986, NJ 1987/480 (Turkyilmaz/Spinnerij De Wijs), nr. 6.
Zie bijvoorbeeld Thompson v Leach (1690) 86 ER 391.
Law of Property (Miscellaneous Provisions) Act 1989, art. 1(2)(a).
Thomas en Hudson 2010, par. 5.53.
Zie The Munster [1983] 1 Lloyd’s Rep 370 en Bear Stearns Bank v Forum Global Equity [2007] All ER 103 over termination; Peyman v Lanjani [1985] Ch 457 over affirmation; en Car and Universal Finance Co Ltd v Caldwell [1965] 1 QB 525; Cartwright 2012, par. 4-18; Spencer Bower, Turner en Handley 2000, par. 256 over rescission.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/100 en 133; Parl. Gesch.Boek 3 BW, p. 177- 178 (MvA II).
In de totstandkoming van het BW is duidelijk gemaakt dat doel en werking van art. 3:35 en 3:36 BW anders zijn. Art. 3:35 ziet op totstandkoming van rechtshandelingen, waar art. 3:36 BW een artikel inzake derdenbescherming is. Het Ontwerp Meijers bevatte één artikel waar zowel wederpartijen als derden een beroep op konden doen, maar dit is later gesplitst. Zie Lokin 2015, p. 22, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 172 e.v.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 178-179 (MvA II).
Lokin 2015, p. 25.
422. Titel 3.2 BW is getiteld ‘Rechtshandelingen’ en de in die titel vervatte regels zien dus ook op (gerichte en ongerichte) eenzijdige rechtshandelingen. De totstandkoming van rechtshandelingen is geregeld in de artikelen 3:33 e.v. BW. Voor een rechtshandeling is vereist een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard.
In beginsel gelden geen andere of zwaardere eisen voor de wilsverklaring die een eenzijdige rechtshandeling tot stand brengt. In de literatuur, en op een enkele plaats in de wet, lijkt zo’n zwaardere voorwaarde wel te worden gesteld. De verwerping van een legaat moet blijkens art. 4:201 lid 3 BW geschieden door een ‘ondubbelzinnige’ wilsverklaring. Toestemming voor herverpanding moet op grond van art. 3:242 BW eveneens ‘ondubbelzinnig’ worden toegekend. Een ontbindingsverklaring moet ‘eenduidig’ zijn.1 De opzegging van een overeenkomst moet met een ‘duidelijke en ondubbelzinnige’ wilsverklaring.2 De Hoge Raad lijkt van mening dat een herroeping ‘onmiskenbaar’ moet zijn.3 Voor berusting in een vonnis in de zin van art. 334 Rv is een ‘ondubbelzinnige wilsverklaring’ vereist.4
Mijns inziens betekenen dit soort kwalificaties niet dat een wilsverklaring die daaraan niet voldoet, geen rechtsgevolg teweegbrengt. Het is geen geldigheidsvereiste, maar veeleer een clausulering die tot uitdrukking brengt dat bij eenzijdige rechtshandelingen oplettendheid gepast is ten aanzien van de vraag of de handelende wel heeft bedoeld zichzelf te binden. Of een eenzijdige wilsverklaring ‘ondubbelzinnig’ is, komt dus aan de orde bij de vraag naar vertrouwensbescherming van een geadresseerde of derde, of bij uitleg van de wilsverklaring. Voor voorzichtigheid is te meer reden, als de rechtshandeling een mogelijk substantieel nadeel met zich brengt, zoals bijvoorbeeld het geval is bij opzegging of ontbinding van een overeenkomst.5 Terughoudendheid is gepast bij het aannemen dat iemand afstand wil doen van een recht, zeker als dat om niet gebeurt of als die wil afgeleid wordt uit gedragingen.6 Hieraan ligt de impliciete aanname ten grondslag dat mensen beogen te handelen op een manier die gunstig uitwerkt voor hun vermogen. Er mag niet licht op vertrouwd worden dat iemand zichzelf wil benadelen.7 Leijten formuleerde het aldus, dat een recht prijsgeven niet tot de normale menselijke manieren van doen behoort. De meeste mensen staan op hun recht, schreef hij, en dan loopt het niet gemakkelijk weg.8
In het Engelse recht wordt de aanname dat mensen beogen te handelen op een manier die gunstig uitwerkt voor hun vermogen expliciet tot uitgangspunt van het privaatrecht gemaakt.9 Het is de ratio voor het feit dat gratuitous promises in beginsel niet binden, tenzij de belofte is neergelegd in een deed. Ook in het Engelse recht bestaat de neiging om voor eenzijdige wilsverklaringen te vereisen dat de handelende persoon ondubbelzinnig zijn intentie kenbaar maakt. Zo moet uit een document prima facie blijken dat het bedoeling is van de maker om een deed te maken,10 moet een declaration of trust duidelijk zijn11 en moet het uitoefenen van de bevoegdheid om een contract te vernietigen of bevestigen unequivocal zijn.12 In het Nederlandse recht is de presumptie dat mensen zullen handelen op een manier die hun vermogen bevordert zichtbaar in de lage drempel voor aanvaarding van een schenking.
423. In geval van een discrepantie tussen wil en verklaring is art. 3:35 van toepassing op gerichte en art. 3:36 BW op ongerichte eenzijdige rechtshandelingen.13Art. 3:35 BW bepaalt dat tegen hem, die een ‘tot hem gerichte verklaring’ van een ander op een bepaalde manier heeft opgevat en redelijkerwijze mocht opvatten, geen beroep kan worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil. Bij ongerichte eenzijdige rechtshandelingen is geen sprake van een ‘tot hem gerichte verklaring’. Anderen dan degene die de rechtshandeling verricht, wier rechtspositie beïnvloed wordt door een ongerichte eenzijdige rechtshandeling, kunnen wel een beroep doen op de bescherming van art. 3:36 BW.14 Zij worden aangemerkt als derden. In de context van ongerichte eenzijdige rechtshandelingen doet die term vreemd aan, er is immers geen ‘tweede’. Het geeft echter aan dat waar de bescherming van art. 3:35 BW ziet op geadresseerden van de rechtshandeling, art. 3:36 BW kan worden ingeroepen door ‘buitenstaanders’.15 Het artikel bepaalt dat jegens een derde die op grond van een verklaring of gedraging gerechtvaardigd het ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde rechtsbetrekking heeft aangenomen en in redelijk vertrouwen op de juistheid van die veronderstelling heeft gehandeld, door degene om wiens verklaring of gedraging het gaat, met betrekking tot deze handeling geen beroep kan worden gedaan op de onjuistheid van die veronderstelling.
Art. 3:36 BW heeft een beperkter bereik dan art. 3:35 BW. Een beroep op de bescherming van art. 3:36 BW wordt alleen gehonoreerd als de derde in vertrouwen op de juistheid van zijn veronderstelling heeft gehandeld en alleen voor die (rechts)handelingen16 die in vertrouwen verricht zijn.17 De wetgever benadrukt dat naast de verschillen die voortvloeien uit de wettekst, vaak andere uitgangspunten een rol zullen spelen bij de toepassing van de respectievelijke artikelen. Derden worden minder snel beschermd dan geadresseerden van een wilsverklaring.18 Verklaringen of gedragingen van partijen over en weer zullen voor derden minder snel dan voor partijen aanleiding geven tot gerechtvaardigd vertrouwen. De derde zal zich er steeds bewust van moeten zijn, dat hij niet de volledige situatie kent. Bij de vraag of de derde moet worden beschermd, speelt ook de wijze en vorm van totstandkoming een rol. Op een gepubliceerde verklaring zal een derde sneller mogen vertrouwen dan op een verklaring waarvan hij niet rechtstreeks kennis heeft kunnen nemen.
Er bestaat dus dogmatisch een verschil tussen de bescherming van de wederpartij van een gerichte eenzijdige rechtshandeling enerzijds en een betrokkene bij een ongerichte eenzijdige rechtshandeling anderzijds. In theorie is dat verschil gerechtvaardigd, nu een ongerichte eenzijdige rechtshandeling tot niemand is gericht, en de handelende persoon in beginsel dus ook geen rekening hoeft te houden met de strekking die een buitenstaander ontleent aan zijn verklaring of gedraging. Bij een aantal ongerichte eenzijdige rechtshandelingen is dat ook het geval, zoals bij afstand van eigendomsrecht of splitsing in appartementsrechten. Andere ongerichte eenzijdige rechtshandelingen zijn in theorie misschien niet gericht tot een wederpartij, maar zijn dat in de praktijk wel. Dit geldt bijvoorbeeld voor de familie- en erfrechtelijke eenzijdige rechtshandelingen. De invulling die de rechter geeft aan art. 3:36 BW is bepalend voor het al dan niet bestaan van een discrepantie in bescherming op grond van art. 3:36 BW ten opzichte van art. 3:35 BW. Uiteindelijk zal een rechter moeten beoordelen of de derde op grond van de betekenis die zij redelijkerwijze aan de verklaring mocht toekennen het bestaan, ontstaan of tenietgaan van een rechtsbetrekking heeft aangenomen en in redelijk vertrouwen daarop heeft gehandeld.