Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.12.2.1.1
III.12.2.1.1 Algemeen
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS380173:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de exacte definities art. 1 lid 1 DHw.
Art. 3 lid 1 DHw.
Een bevoegdheid hiertoe dient in een gemeentelijke verordening te worden neergelegd. Vgl. art. 25a lid 2 aanhef en onder a DHw.
De verhouding tussen artikel 8 DHw en het Besluit DHw 1999 is een lastige. Op grond van jurisprudentie van wat oudere datum kan worden geconcludeerd dat de in het Besluit DHw 1999 neergelegde eisen niet (direct) van toepassing zijn op de eis van slecht levensgedrag als neergelegd in art. 8 lid 2 onder b DHw, maar daarbij wel richtinggevend kunnen zijn. Zie Vz. ARRvS 16 maart 1989, Gst. 1991/4 m.nt. Hennekens, ARRvS 3 november 1989, Gst. 1990/6 m.nt. Hennekens en ARRvS 27 juni 1991, Gst. 1992/7 m.nt. Hennekens. Een en ander lijkt in overeenstemming met art. 1 Besluit DHw 1999 en de toelichting daarbij (zie Stb. 1999, 378). Daar wordt, evenals in art. 8 lid 3 DHw gesproken over andere/overige eisen van zedelijk gedrag. Zie hierover Van Bos 1994. Zie meer recent ABRvS 27 februari 2002, JG 02.0071 m.nt. Elsveld. In ABRvS 13 mei 2009, Gst. 2009/106 m.nt. Kessen besteedt de Afdeling in het geheel geen aandacht aan het onderscheid tussen eisen van zedelijk gedrag en slecht levensgedrag door te overwegen dat appellant niet langer voldoet aan de ingevolge artikel 8 van de DHw geldende eisen.
T&C Openbare orde en veiligheid 2014, art. 8 DHw, aant. 2.
Centraal in de Drank- en Horecawet staat de vergunning voor het uitoefenen van het horecabedrijf of het slijtersbedrijf als bedoeld in art. 3 van die wet (hierna: de DHw-vergunning). Kort gezegd houdt het uitoefenen van het horecabedrijf in het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik terplaatse. Het uitoefenen van het slijtersbedrijf ziet op het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik anders dan ter plaatse.1 Bevoegd tot verlening van de DHw-vergunning is de burgemeester.2 Aan een DHw-vergunning kan de burgemeester voorschriften en beperkingen verbinden.3 In art. 8 DHw worden eisen gesteld aan de leidinggevende van het horeca- en slijtersbedrijf. Op grond van het eerste lid van dit artikel moet de leidinggevende minimaal 21 jaar oud zijn (sub a), mag hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn (sub b) en mag hij niet onder curatele staan (sub c). Bij AMvB worden verdere eisen gesteld ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden en wordt de eis dat de leidinggevende niet van slecht levensgedrag mag zijn nader uitgewerkt. Deze AMvB is het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 (hierna: het Besluit DHw 1999).4,5 De gedachte achter deze bepalingen is dat sprake is van een criminaliteitgevoelige branche, waarin de exploitant een speciale verantwoordelijkheid heeft.6 Niet alleen aan de leidinggevende worden eisen gesteld. Ook de inrichting moet aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden zijn op grond van art. 10 DHw neergelegd in een AMvB, te weten het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. De artikelen 12 t/m 25 DHw bevatten voorts diverse verboden. Overtreding van deze verboden kan leiden tot intrekking van de DHw-vergunning of een bestuurlijke boete. De artikelen 26 e.v. DHw bevatten bepalingen met betrekking tot de DHw-vergunning, zoals de weigeringsgronden (art. 27 DHw) en de intrekkingsgronden (art. 31 DHw). Tot slot valt te wijzen op de artikelen 30 en 30a DHw worden genoemd. Op grond van art. 30 DHw moet de vergunninghouder melding doen van een wijziging van de inrichting indien deze wijziging tot gevolg heeft dat de inrichting niet langer in overeenstemming is met de vergunning. Artikel 30a DHw bevat een meldingsplicht voor de vergunninghouder voor de situatie waarin deze een andere persoon als leidinggevende wil laten bijschrijven op zijn vergunning. Op grond van art. 35 DHw kan voorts ontheffing worden verleend van het in art. 3 DHw gestelde verbod indien het gaat om een gelegenheid van zeer tijdelijke aard en voor de duur van maximaal 12 dagen.