Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.12.2.1.2
III.12.2.1.2 Intrekking op grond van de Drank- en Horecawet
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS374110:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 18 september 2002, AB 2003, 159 m.nt. Klingenberg, ABRvS 11 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV0589 en ABRvS 17 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4724.
Zie hierover ook reeds paragraaf 6.2.2.2.
ABRvS 11 juni 2008 AB 2008/314 m.nt. Vermeer.
ARRvS 8 november 1978, AB 1979/494.
ARRvS 20 februari 1992, AB 1992/355 m.nt. Van Male en ABRvS 22 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT7969.
ABRvS 8 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3927.
ARRvS 26 augustus 1983, AB 1984/256 m.nt. Van der Veen, ARRvS 16 mei 1991, AB 1991/552 m.nt. Van der Veen en Gst. 1991/8 m.nt. Hennekens, ABRvS 22 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT7969 en ABRvS 23 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8321. Zie voorts ABRvS 26 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1072, waarin een exploitatie op deze grond werd ingetrokken vanwege de aanwezigheid van een grote hoeveelheid harddrugs.
Zie onder meer ARRvS 18 november 1987, AB 1988/277 m.nt. Van der Veen, ABRvS 1 februari 2012 en ECLI:NL:RVS:2012:BV2419.
ABRvS 4 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX0286.
Zie Vz. ABRvS 23 oktober 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AM5385 waarin was gehandeld in strijd met art. 24 DHw. Het proportionaliteitsvereiste dient hierbij in acht genomen te worden. Kamerstukken II 1997/98, 25969, nr. 3, p. 34.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 8 juli 2009, Gst. 2009/105 m.nt. Van den Berg en JB 2009/183 m.nt. Overkleeft-Verburg.
Dit is de tekst zoals deze is te vinden op www.overheid.nl en in het Staatsblad is geplaatst. Vgl. Stb. 2000, 185. Reeds in het wetsvoorstel voor een Drank- en Horecawet uit 1962 luidde de wettekst zo. Zie Kamerstukken II 1961/62, 6811, nr. 2. Ik vermoed dat is bedoeld ‘na het onherroepelijk worden van de vergunning zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning’.
ABRvS 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3730.
ABRvS 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1383.
Intrekking van een DHw-vergunning kan geschieden op grond van art. 31 DHw. Lid 1 van dit artikel bevat een viertal imperatieve intrekkingsgronden. Een verplichting tot intrekking bestaat op grond van art. 31 lid 1 DHw wanneer door de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en juiste gegevens zouden hebben geleid tot een andere beslissing (sub a). Ook wanneer niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 8 en 10 DHw gestelde eisen moet de vergunning worden ingetrokken (sub b).1 Een derde imperatieve intrekkingsgrond betreft de situatie waarin zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid (sub c).2 De enkele vrees is voor intrekking op deze grond onvoldoende. Vereist is dat zich concrete feiten hebben voorgedaan waarbij de verwachting is dat deze zich zullen herhalen als de vergunning niet wordt ingetrokken.3 Verder geldt dat causaal verband moet bestaan tussen de gebeurtenissen die zich in de inrichting hebben voorgedaan en het gevreesde gevaar voor de openbare orde.4 Gebeurtenissen die kunnen leiden tot de vrees voor gevaar voor de openbare orde zijn bijvoorbeeld het faciliteren van prostitutie vanuit de inrichting,5 vuurwapenbezit,6 illegale gokactiviteiten in de inrichting7 of handel in verdovende middelen.8
Hoewel de tekst van de bepaling anders doet vermoeden, kunnen ook feiten die zich buiten de inrichting hebben voorgedaan van belang zijn. Deze feiten moeten dan in relatie staan met feiten die zich in de inrichting hebben voorgedaan.9 In een uitspraak van de Afdeling uit 2012 inzake de intrekking van een DHw-vergunning welke was verleend aan Muziek Maxim betrof het een woordenwisseling die binnen de inrichting had plaatsgevonden. De betrokken personen begaven zich vervolgens naar buiten (op enkele honderden meters van Muziek Maxim) en daar vond vervolgens een geweldsincident plaats. Naar het oordeel van de Afdeling stond dit geweldsincident in relatie met feiten die zich in de inrichting hadden voorgedaan, te weten de eerdere woordenwisseling.10
Tot slot wordt de DHw-vergunning ingetrokken wanneer vergunninghouder heeft verzuimd een melding als bedoeld in de artikelen 30 of 30a DHw te doen (sub d).
Een discretionaire bevoegdheid tot intrekking bestaat op grond van art. 31 lid 2 DHw indien de vergunninghouder de bij of krachtens deze wet gestelde regels, dan wel de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen, niet nakomt.11 Wanneer een vergunning op deze grond is ingetrokken, dan wordt de bevoegdheid om opnieuw een DHw-vergunning te verlenen, opgeschort tot een jaar nadat het intrekkingsbesluit onherroepelijk is geworden (art. 31 lid 4 DHw). Op grond van het derde lid kan een vergunning worden ingetrokken op grond van de Wet Bibob (sub a),12 dan wel indien een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 30a, eerste lid, om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 30a lid 5 DHw (sub b).
Naast het intrekken van een DHw-vergunning, is in de Drank- en Horecawet nog een tweetal andere figuren neergelegd. Allereerst kan een DHwvergunning op grond van art. 32 DHw worden geschorst voor maximaal 12 weken ingeval zich een van de intrekkingsgronden genoemd in art. 31 leden 2 en 3 DHw zich voordoet. Aan de figuur van de schorsing wordt in paragraaf 12.3.4.2 meer uitgebreid aandacht besteed.
Daarnaast is in art. 33 DHw een drietal situaties neergelegd waarin de vergunning vervalt. In deze situaties vervalt de vergunning van rechtswege.13 Er is dus geen sprake van een door de burgemeester genomen besluit daartoe. Op grond van sub a van deze bepaling vervalt de vergunning wanneer
‘sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning’.14
De vergunning vervalt voorts indien gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning (sub b). In tegenstelling tot de grond genoemd onder sub a, wordt in sub b de eis gesteld dat anders dan vanwege overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Deze bepalingen hebben tot doel te voorkomen dat een lange periode verstrijkt alvorens (weer) van de vergunning gebruik wordt gemaakt.15 Gebruik maken van de vergunning houdt in dat het horeca- of slijtersbedrijf moet worden uitgeoefend. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog hieromtrent in een uitspraak waarin een inrichting voor ongeveer twee jaar was gesloten:
‘Zij (BdK: de rechtbank) heeft met juistheid overwogen dat alleen handelingen met gebruikmaking van de vergunning, als bedoeld in artikel 33, aanhef en onder b, van de DHW, zijn verricht, als de exploitatie binnen het jaar - al dan niet tijdelijk - is hervat. Nu het verbouwen van de inrichting en het aanvragen van de vergunningen, dan wel ontheffingen, ten behoeve van een kermis er niet toe hebben geleid dat voor gebruik ter plaatse bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank is verstrekt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat [appellant sub1] in de desbetreffende periode geen handelingen met gebruikmaking van de vergunning, als bedoeld in artikel 33, aanhef en onder b, van de DHW, heeft verricht.’16
Appellant deed voorts een beroep op overmacht. Hij was tijdelijk arbeidsongeschikt geweest, waardoor de inrichting in die periode niet open kon. Verder had een ingrijpende verbouwing plaatsgevonden. Naar het oordeel van de Afdeling is geen sprake van overmacht als bedoeld in art. 33 aanhef en onder b DHw. De inrichting was gesloten van 1 oktober 2007 tot 6 september 2009. Reeds vanaf het voorjaar van 2008 was appellant niet meer arbeidsongeschikt. De arbeidsongeschiktheid had er dus niet toe geleid dat gedurende een jaar geen handelingen waren verricht met gebruikmaking van de vergunning. Een verbouwing waardoor de inrichting moet worden gesloten, levert volgens de Afdeling bestuursrechtspraak geen overmacht op. Zij overweegt:
‘Die verbouwing is geen abnormale en onvoorziene omstandigheid, onafhankelijk van de wil van [appellant sub1], waarvan de gevolgen, ondanks alle voorzorgsmaatregelen, niet konden worden vermeden.’
Tot slot vervalt de vergunning op grond van art. 33 aanhef en onder c DHw indien een nieuwe, vervangende vergunning van kracht is geworden. Het moet dan wel gaan om een vergunning die is verleend aan dezelfde vergunninghouder.17