Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.5.6.2
IX.3.5.6.2 Vorderingen uit publiekrechtelijke rechtsverhoudingen
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS361264:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie nr. 882.
Publiekrechtelijke vorderingen kunnen daarnaast ook voortvloeien uit rechterlijke uitspraken. Zie M.W. Scheltema 2010, p. 12.
Vgl. Van Boom 1993, p. 702-703; Mok in zijn conclusie voor het arrest Kramer q.q./NMB (NJ 1986, 68), onder nr. 6; J. de Boer 1981, p. 267-269 en Langereis 1979, p. 899. Zie voorts: Pennings 2002, p. 31 e.v.
Vgl. HR 26 maart 1982, NJ 1982, 615, m.nt. WMK (SOS/ABN) met betrekking tot de toekenning van een saneringsuitkering ter zake van het aan de visserij onttrekken van een schip; HR 11 januari 1985, NJ 1986, 310, met betrekking tot de toekenning van een uitkering krachtens de WWV en HR 12 februari 1975, BNB 1975, 93, m.nt. Scheltens, betreffende de toekenning van een tegemoetkoming in de bouwkosten van een eigen woning.
Deze situatie staat gelijk met die waarin het ontstaan van de verbintenis afhankelijk is van een enkele wilsverklaring van de schuldenaar. Zie nrs. 882 en 888.
Zie nader over het onderscheid tussen ‘vrije’ en ‘gebonden’ beschikkingen: Michiels 2009, p. 54 e.v.
Zie in verband met belastingen: HR 11 oktober 1985, NJ 1986, 68, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verschuldigde belasting, alsmede het recht op een investeringsbijdrage (WIR-premie), schulden betreffen die rechtstreeks uit de wet voortvloeien. Het opleggen door de belastinginspecteur van een aanslag zou niets anders zijn dan het vaststellen van het verschuldigde bedrag. In HR 16 juni 1995, NJ 1996, 508, m.nt. WMK (Ontvanger/Rabobank IJmuiden) is uitgemaakt dat de WIR-vordering ontstaat aan het einde van het belastingjaar. Vgl. ook in verband met de cessie van een vordering tot belastingrestitutie: Vetter, Wattel & Van Oers 2009, p. 508. Vgl. voorts: HR 26 juni 1998, NJ 1998, 745, m.nt. PvS (Aerts q.q./ABN-AMRO); HR 12 december 1979, NJO 1980, 1, m.nt. MB (De Staat/Van der Wende); HR 24 april 1957, NJ 1957, 523; HR 10 maart 1944, NJ 1944/45, 267 en HR 15 februari 1922, B 2904. Zie in verband met de schuld tot desinvesteringsbetalingen: HR 28 september 1990, NJ 1991, 305, m.nt. PvS (De Ranitz q.q./Ontvanger), waarin is beslist dat de schuld eerst ontstaat als gevolg van de vervreemding van de zaken waarin is geïnvesteerd. Zie reeds: HR 22 juli 1983, BNB 1983/288. Zie verder: Langereis 1979, p. 899 e.v.; Van Straaten 1986, p. 2256 e.v.; Snijders/Rank- Berenschot 2007, nr. 431 en Van Boom 1993, p. 702-703, alsmede de daar genoemde literatuur.
Zie bijvoorbeeld: HR 11 september 1992, NJ 1992, 746, waar de Hoge Raad met betrekking tot een AOW-vordering lijkt te oordelen dat uit het stelsel van de AOW volgt dat de vordering periodiek ontstaat met het vervallen van een termijn. Vgl. in dit verband ook nog: J. de Boer 1981, p. 268 en HR 27 november 1981, NJ 1982, 503, m.nt. EAAL en WHH, r.o. 12.
Aldus: Noordam 2006, p. 43-44 en Kooijman 1989, p. 44 e.v. en p. 102 e.v.
Een voorbeeld daarvan is de bevoegdheid tot toekenning van werkvoorzieningen op grond van de Wet WIA, zie Noordam 2006, p. 44.
In deze zin: Van Boom 1993, p. 703. Zie ook: Bloembergen in zijn conclusie voor het arrest WUH-Emmerig q.q. (NJ 1987, 530) die opmerkt (onder nr. 3.1) dat uitkeringen op grond van sociale verzekeringen in het algemeen pas ontstaan als het betrokken tijdvak is afgesloten. Vgl. HR 12 februari 1975, BNB 1975, 93, m.nt. Scheltens.
Zie bijvoorbeeld: HR 4 juni 2004, NJ 2004, 412 (Loyalis Contractmanagement/Missler q.q.), r.o. 3.4 en HR 5 november 1958, BNB 1958, 348, waar de Hoge Raad van deze figuur uitgaat. Vgl. de kritische noot van Scheltens onder HR 12 februari 1975, BNB 1975, 93. Zo ook met betrekking tot een vordering tot periodieke uitkering van een arbeidsongeschiktheidsrente: Hof ’s-Hertogenbosch 20 juni 1990, NJ 1991, 101.
Zie de Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht), Stb. 2009/264.
Bedoeld is een besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Op andere besluiten is de regeling niet van toepassing. De regeling is evenmin van toepassing op verplichtingen tot betaling van een geldsom voor het in behandeling nemen van een aanvraag en ook niet op verplichtingen tot betaling die bij uitspraak van de administratieve rechter zijn opgelegd (art. 4:85 leden 2 en 3). Zie MvT, TK 2003-2004, 29 702, nr. 3, p. 29-31.
Zie MvT, TK 2003-2004, 29 702, nr. 3, p. 19 en NvW, TK 2003-2004, 29 702, nr. 8, p. 2.
Zie MvT, TK 2003-2004, 29 702, nr. 3, p. 20 en M.W. Scheltema 2010, p. 18.
Zie M.W. Scheltema 2010, p. 31 e.v.
Zie MvT, TK 2003-2004, 29 702, nr. 3, p. 32.
Zie MvT, TK 2003-2004, 29 702, nr. 3, p. 32. Zie ook: M.W. Scheltema 2010, p. 32.
Zie Parl. Gesch. Awb (Derde tranche) 1998, p. 169 e.v.
Zie afd. 4.2.3 Awb.
Zie afd. 4.2.5 Awb.
Zie afd. 4.2.7 Awb.
Zie voorts: Damen, Nicolaï e.a. 2005, nrs. 911 e.v.
Zie Parl. Gesch. Awb (Derde tranche) 1998, p. 170: “Het bestuursorgaan gaat dus reeds door een subsidieverlening, en niet pas door de vaststelling, een financiële verplichting aan”.
Zie Parl. Gesch. Awb (Derde tranche) 1998, p. 170.
Zie Parl. Gesch. Awb (Derde tranche) 1998, p. 170.
Zie MvT, TK 2003-2004, 29 702, nr. 3, p. 35-36. Zie ook: M.W. Scheltema 2010, p. 36.
904. Uitgangspunt: de vordering bestaat, indien de wezenskenmerken van een verbintenis aanwezig zijn. Het voorgaande geldt in gelijke mate voor vorderingen uit publiekrechtelijke rechtsverhoudingen. Het bestaan van een vordering kan in beginsel worden aangenomen, indien de in § 3.5.1 besproken wezenskenmerken van een vordering aanwezig zijn.1 In veel gevallen zal met de aanwezigheid van de grondslag van de vordering, de vordering ook zijn ontstaan. Publiekrechtelijke vorderingen ontstaan over het algemeen uit (i) een besluit van een bestuursorgaan (o.a. subsidies, bepaalde belastingen op aanslag) of (ii) rechtstreeks uit de wet (o.a. bepaalde belastingen op aangifte, premies voor sociale verzekeringen).2 In het eerste geval is de ontstaansbron van de vordering gelegen in het besluit van het bestuursorgaan. In het tweede geval moet aan de hand van de (ratio van de) wettelijke regeling en de wetsgeschiedenis worden beoordeeld aan welk rechtsfeit de wet het ontstaan van de vordering verbindt.
905. De vordering is afhankelijk van een besluit van een bestuursorgaan; oud recht. Indien de (opeisbaarheid van de) vordering afhankelijk is van een beschikking van een bestuursorgaan (zoals bij het toekennen van subsidies en sociale uitkeringen), werd het voor de inwerkingtreding van de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (waarover hierna) in de doctrine van belang geacht of de beschikking ‘rechtscheppend’ was of slechts ‘rechtsvaststellend’.3 Indien het bestuursorgaan een zekere beleidsvrijheid heeft (vrije beschikking), zou de beschikking in veel gevallen rechtscheppend zijn en zou zij een vereiste zijn voor het ontstaan van de vordering.4,5 Indien het orgaan daarentegen niet vrijelijk kan beschikken, maar gebonden is aan door de wet genoemde criteria (gebonden beschikking), dan zou de beschikking uitsluitend rechtsvaststellend zijn en zou zij geen ontstaansvereiste voor de vordering zijn, doch hoogstens van belang voor de opeisbaarheid en de vaststelling van de omvang van de vordering.6 De vordering vloeit dan rechtstreeks voort uit de wet en zal reeds zijn ontstaan vanwege het feit dat de wettelijke criteria zijn vervuld.7 Of een beschikking ‘rechtscheppend’ of ‘rechtsvaststellend’ was, moest aan de hand van de (ratio van de) wettelijke regeling waarop zij is gebaseerd, worden vastgesteld, waarbij zij opgemerkt dat niettegenstaande het karakter van de beschikking uit (het stelsel van) de wet kon volgen, dat de vordering eerst op een later moment ontstond.8
In geval van uitkeringen op grond van socialezekerheidsregelingen werd in de literatuur veelal aangenomen dat het recht op een uitkering vanrechtswege ontstond op grond van de wet. Het recht werd verkregen als men voldeed aan de daarvoor in de wet genoemde voorwaarden. De beschikking die het uitvoeringsorgaan ter zake neemt, zou meestal rechtsvaststellend van aard zijn.9 Hierop bestonden echter uitzonderingen. In sommige gevallen heeft de wetgever het uitvoeringsorgaan de bevoegdheid gegeven om een uitkering te verlenen.10
Overigens zij voor de volledigheid opgemerkt dat de wet of de aard van de vordering tot betaling van een subsidie of sociale uitkering de overdraagbaarheid van de vordering kan uitsluiten of beperken.
Met betrekking tot een vordering tot periodieke betaling ter zake van een sociale uitkering, is in de literatuur betoogd dat het feit dat per tijdvak moet worden beoordeeld of (nog) aan de in de wet genoemde criteria is voldaan, met zich brengt dat er sprake is van een toekomstige vordering voor zover de uitkering betrekking heeft op toekomstige tijdvakken. Daarvoor zou pleiten dat het vooralsnog onzeker is of ter zake van de toekomstige termijnen nog wordt voldaan aan de wettelijke eisen.11 De mogelijkheid dat niet (meer) aan de betreffende criteria wordt voldaan, kan echter ook worden opgevat als een ontbindende voorwaarde waaraan een bestaande vordering tot periodieke betaling is onderworpen en die met zich brengt dat het recht op een uitkering voor het betreffende tijdvak vervalt, indien niet langer aan de gestelde criteria wordt voldaan.12 Welke figuur zich voordoet moet mede aan de hand uitleg van het (stelsel van) de toepasselijke wettelijke regeling worden beoordeeld.
906. Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht. Wat betreft vorderingen uit publiekrechtelijke rechtsverhoudingen verdient het voorgaande een belangrijke aanvulling in verband met de inwerkingtreding per 1 juli 2009 van de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).13 Deze tranche bevat een algemene regeling van bestuursrechtelijke geldschulden.14 De regeling is van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit (i) een wettelijk voorschrift dat een verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt, of (ii) een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep (art. 4:85 lid 1 Awb).15 Zij ziet zowel op schulden aan de overheid, als op schulden van de overheid en bevat regels over de vaststelling en de inhoud van de betalingsverplichting, verzuim en wettelijke rente, verjaring en verval, alsmede de invordering. Met de vaststelling van de geldschuld wordt gedoeld op de wijze waarop de schuld ontstaat. Er wordt geen algemene regeling gegeven van de gevallen waarin een bestuursrechtelijke geldschuld ontstaat. Dat wordt geregeld in specifieke wetgeving.16 Benadrukt zij dat de regeling niet van toepassing is op geldschulden die voortvloeien uit privaatrechtelijke overeenkomsten, onrechtmatige daad en onverschuldigde betaling, althans voor zover de bestuursrechter niet bevoegd is om van geschillen hieromtrent kennis te nemen.17
Art. 4:86 lid 1 Awb neemt tot uitgangspunt dat een bestuursrechtelijke geldschuld ontstaat op grond van een beschikking. Dit geldt zowel in het geval de overheid de schuldenaar is, als in het geval dat zij de schuldeiser is. Op grond van art. 4:88 Awb is echter een uitzondering mogelijk: een bestuursrechtelijke geldschuld kan ook rechtstreeks uit een wettelijk voorschrift voortvloeien.18
De ratio voor de hoofdregel dat de schuld op grond van een beschikking tot stand komt, moet blijkens de toelichting worden gevonden in de rechtszekerheid.19 Volgens de toelichting zou het voor de hand liggen, dat als een burger moet betalen, hij eerst door middel van een beschikking op de hoogte wordt gebracht van zijn betalingsverplichting. Meestal kan van de burger niet worden verlangd dat hij op grond van alleen de wet op de hoogte is van zijn schuld. Bovendien kan hij de hoogte van zijn schuld zelf meestal niet bepalen. Volgens de toelichting zou het bestuur derhalve in het algemeen verplicht zijn om bij beschikking vast te stellen hoe hoog de betalingsverplichting precies is, voordat het aanspraak op betaling kan maken.
Ook bij betalingen door de overheid zou volgens de toelichting omwille van de rechtszekerheid aan het recht op betaling een beschikking vooraf dienen te gaan. Aangezien het bestuursorgaan toch steeds een beslissing moet nemen om tot betaling over te gaan en de ontvanger op de hoogte moet stellen van de reden van de betaling, zou moeten worden aangenomen dat aan iedere betaling een beschikking ten grondslag moet liggen. Voor beide gevallen geldt dat door de beschikking duidelijk wordt gemaakt wat de grondslag voor de betaling is en welk bedrag betaald moet worden. Onduidelijkheid over de betaling wordt daarmee vermeden, aldus de toelichting.20
Het tweede lid van art. 4:86 Awb vermeldt de vereisten waaraan de beschikking moet voldoen.
Voor wat betreft subsidies gaat het systeem van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) er zodoende van uit, dat de beschikking waarbij subsidie wordt verleend een rechtscheppend karakter heeft (zie ook hierna). In titel 4.2 Awb wordt het subsidiëringsproces onderscheiden in drie stadia:21 de subsidieverlening,22 de subsidievaststelling23 en de uitbetaling.24, 25 De subsidieverlening is een beschikking van een bestuursorgaan waarbij een subsidie wordt toegekend voor een bepaalde (over het algemeen toekomstige) activiteit. De beschikking zou volgens de toelichting een rechtscheppend karakter hebben: zij doet het recht op financiële middelen ontstaan.26 De omvang van het recht op subsidie is vaak echter nog onzeker, omdat zij kan afhangen van de omvang van de te verrichten activiteiten of van daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.27 De subsidievaststelling is vervolgens de beschikking waarbij definitief wordt beslist welk bedrag aan subsidie zal worden uitgekeerd. Daarvoor zal meestal nodig zijn dat wordt vastgesteld dat de gesubsidieerde activiteit is verricht en dat de eventueel opgelegde verplichtingen zijn nageleefd. De uitbetaling van de subsidie geschiedt op grond van deze beschikking, maar het is mogelijk dat er reeds voorschotten worden betaald.28
Art. 4:88 lid 1 Awb geeft de mogelijkheid om bij wettelijk voorschrift af te wijken van het uitgangspunt dat een bestuursrechtelijke geldschuld bij beschikking wordt vastgesteld. Volgens de toelichting zou het voor een aantal belangrijke geldschulden, in het bijzonder voor geldschulden die met grote regelmaat moeten worden betaald, voor de hand liggen dat niet iedere keer een beschikking moet worden gegeven. Dit zou in het bijzonder het geval zijn wanneer het gaat om schulden aan de overheid, zoals de omzetbelasting of premies en belastingen die door werkgevers verschuldigd zijn. Ook bij regelmatige betalingen door de overheid kan het volgens de toelichting in bepaalde gevallen weinig doelmatig zijn om steeds een beschikking te verlangen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan socialezekerheidsuitkeringen.29
De conclusie die uit het voorgaande lijkt te kunnen worden getrokken in vergelijking tot het oude recht, is dat in die gevallen waarin een bestuursrechtelijke geldschuld afhankelijk is gesteld van een beschikking van een bestuursorgaan, deze beschikking op grond van de nieuwe regeling in beginsel altijd een rechtscheppend karakter heeft.