De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.2.2:II.2.2 Opbouw
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.2.2
II.2.2 Opbouw
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS377648:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Van Wijk/Konijnenbelt en Van Male 2014, p. 377 e.v. en p. 475 e.v., Schlössels en Zijlstra 2010, p. 374 e.v., De Graaf en Marseille 2005, p. 305 e.v., Den Ouden 2010, p. 689 e.v. en Dieperink 2003, p, 51 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het leerstuk van de intrekking van beschikkingen is zoals gezegd een leerstuk waarbij veel factoren een rol spelen. Deze factoren hangen met elkaar samen en beïnvloeden elkaar. Dat maakt het leerstuk van de intrekking van beschikkingen gecompliceerd. In dit deel wordt gepoogd een overzicht te creëren door deze factoren te benoemen en na te gaan op welke wijze zij van invloed zijn op het leerstuk van de intrekking. Een en ander geschiedt aan de hand van een achttal onderscheidingen.1 Het betreft de volgende onderscheidingen:
Geschreven bevoegdheid versus ongeschreven bevoegdheid tot intrekking
Vrije bevoegdheid versus gebonden bevoegdheid tot intrekking
Onrechtmatige beschikking versus rechtmatige beschikking
Begunstigende beschikking versus belastende beschikking
Aflopende beschikking versus duurbeschikking
Beleidsmatige intrekking versus de intrekking bij wijze van sanctie
De intrekking bij wijze van herstelsanctie en de intrekking bij wijze van bestraffende sanctie
Intrekking ex tunc en intrekking ex nunc.
Aan de hand van deze onderscheidingen is tot de volgende hoofdstukindeling gekomen:
Hoofdstuk 3 behandelt de bevoegdheid tot intrekking. In dit hoofdstuk wordt in de eerste plaats onderscheid gemaakt tussen de geschreven en ongeschreven bevoegdheid tot intrekking. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de zogenaamde geïmpliceerde bevoegdheid tot intrekking: een ongeschreven bevoegdheid tot intrekking, welke wordt afgeleid uit de (geschreven) bevoegdheid om een bepaalde beschikking te geven. Vervolgens wordt onderscheid gemaakt tussen de vrije en gebonden intrekkingsbevoegdheid.
Hoofdstuk 4 ziet op de gronden voor intrekking. Getracht wordt deze gronden te categoriseren. In dat kader komt het onderscheid tussen de intrekking van een rechtmatige en een onrechtmatige beschikking aan bod.
In hoofdstuk 5 wordt een tweetal soorten beschikkingen besproken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen achtereenvolgens de intrekking van een begunstigende en een belastende beschikking en de intrekking van een aflopende en een duurbeschikking.
In hoofdstuk 6 komt de kwalificatie van de intrekkingsbeslissing aan bod. Daarbij wordt in de eerste plaats onderscheid gemaakt tussen de beleidsmatige intrekking en de intrekking bij wijze van sanctie. Vervolgens wordt de intrekking bij wijze van sanctie verder onderscheiden in de intrekking bij wijze van herstel- dan wel bestraffende sanctie. Nu laatstgenoemde sanctie eveneens een zogenaamde ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM kan opleveren, wordt aan dit begrip eveneens aandacht besteed, zowel bezien vanuit het perspectief van het EHRM als van het Hof van Justitie van de EU. In het kader van de beleidsmatige intrekking wordt voorts nader ingegaan op de relatie met het recht op eigendom zoals onder meer neergelegd in art. 1 EP.
Hoofdstuk 7 betreft de normering van de intrekkingsbevoegdheid. In de eerste plaats komt daar het onderscheid tussen intrekking ex tunc en intrekking ex nunc aan bod, aangeduid als de temporele werking van de intrekking. Voorts wordt aandacht besteed aan de situatie waarin een overgangstermijn wordt geboden. In de tweede plaats wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de vraag in hoeverre een bestuursorgaan gehouden is de schade te vergoeden die de geadresseerde lijdt ten gevolge van een intrekking. Tot slot wordt aandacht besteed aan de normering ingeval de intrekking wordt aangemerkt als een bestraffende sanctie, respectievelijk een inbreuk op het eigendomsrecht.
Dit deel wordt afgesloten met een concluderend hoofdstuk (hoofdstuk 8).
Naar aanleiding van deze hoofdstukindeling wordt het volgende opgemerkt. De normering van de (uitoefening van de) intrekkingsbevoegdheid loopt als het ware door de hiervoor genoemde onderscheidingen heen. De gemaakte onderscheidingen zijn zoals gezegd allemaal van invloed op het bestaan, dan wel op de uitoefening van de intrekkingsbevoegdheid. Hoewel in hoofdstuk 7 meer uitgebreid op een aantal aspecten van de normering wordt ingegaan, wordt ook in de daaraan voorafgaande hoofdstukken al op enkele plaatsen aandacht besteed aan het normeringsvraagstuk. Een en ander vloeit voort uit het feit dat de gemaakte onderscheidingen allen op enigerlei wijze van invloed zijn op de normering van de intrekkingsbevoegdheid. Daarom is er voor gekozen om ook in de hoofdstukken 3 t/m 6, waar nodig, al een en ander op te merken over de invloed van de betreffende onderscheiding op de normering van de intrekkingsbevoegdheid. Om het overzicht te bewaren, zal de lezer hierop steeds worden geattendeerd. In hoofdstuk 7 komen dan vervolgens meer algemene (of overkoepelende) aspecten van de normering aan bod, zoals de temporele werking van de intrekking en de eventuele verplichting tot het bieden van financiële genoegdoening (paragrafen 7.1 en 7.2). Daarnaast worden de voorwaarden besproken die gelden wanneer een intrekking als bestraffend, respectievelijk als aantasting van het recht op eigendom wordt gekwalificeerd (paragrafen 7.3 en 7.4). Gelet op de omvang van deze problematiek en het feit dat het twee zeer specifieke situaties betreft, is gekozen om hier de kwalificatievraag en de vraag naar de eventuele gevolgen van die kwalificatie voor de normering te scheiden.
Voorts zal blijken dat de gemaakte onderscheidingen niet allemaal op zichzelf staan, maar veelal met elkaar samenhangen. Zo is bijvoorbeeld de grond voor intrekking van belang voor de wijze waarop een beschikking kan worden ingetrokken, meer in het bijzonder of aan de intrekking al dan niet terugwerkende kracht kan worden verleend.