Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/2.4
2.4 Tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer (1989)
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS460804:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 10 november 1988, Stb. 1988, 516.
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXy – 8 (MvT Algemeen).
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXy – 7 (MvT Algemeen).
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXy – 9 (MvT Algemeen).
Art. 2: 336 lid 1 BW luidt: ‘Een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een derde gedeelte van het geplaatste kapitaal verschaffen, kunnen van een aandeelhouder die door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld, in rechte vorderen dat hij zijn aandelen overeenkomstig artikel 341 overdraagt.’
Art. 2: 343 lid 1 BW luidt: ‘De aandeelhouder die door gedragingen van een of meer mede-aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen wordt geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, kan van die mede-aandeelhouders in rechte vorderen dat zijn aandelen overeenkomstig de leden 3, 4 en 5 van dit artikel worden overgenomen.’
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXy – art. 356 – 1 (MvT).
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXy, t.a.p.
36. Op 1 januari 1989 is de geschillenregeling in werking getreden.1 De geschillenregeling – die van toepassing is op de BV en de besloten NV (vergelijk art. 2: 335 BW) – heeft ten doel ‘het opheffen van een situatie waarin door tegenstellingen tussen aandeelhouders de samenwerking in de vennootschap onmogelijk is of dreigt te worden’ en is met name van belang ‘wanneer de tegenstellingen tussen aandeelhouders leiden tot verlamming van de besluitvorming binnen de vennootschap.’2 Weliswaar kan het uitlokken van een enquête in gevallen als de onderhavige wel eens tot een oplossing leiden, maar de toepassing van het enquêterecht is om verschillende redenen niet het meest geschikte middel: ‘een enquêteprocedure is niet steeds mogelijk, is te zwaar en leidt ook niet steeds tot de gewenste uitkomst.’3 Deze stelling wordt verduidelijkt aan de hand van enquêterechtelijke jurisprudentie die betrekking heeft op vennootschappen die zich kenmerken door onoverbrugbare tegenstellingen tussen de aandeelhouders: ‘Uit van de ondernemingskamer verkregen gegevens blijkt, dat de meeste enquêtezaken die bij deze kamer zijn aangebracht betrekking hebben op besloten vennootschappen, waarin de aandeelhouders/directeuren onenigheid hebben en waarin de enige goede oplossing om aan de moeilijkheden een einde te maken is gelegen in de overdracht van aandelen. In vele gevallen kon als resultaat van de bemoeiingen van de ondernemingskamer een dergelijke overdracht tot stand worden gebracht, doch de ondernemingskamer kan deze thans niet dwingend voorschrijven. In bepaalde zaken heeft de weigering van partijen aan een overdracht mee te werken ertoe geleid dat de ondernemingskamer de rechtspersoon heeft moeten ontbinden.’4
37. De geschillenregeling biedt de mogelijkheid een vordering tot uitstoting (art.2: 336 BW5) of tot uittreding (art. 2: 343 BW6) in te dienen. De minister voorziet echter een probleem in geval een BV twee aandeelhouders heeft die zelf niet willen uittreden maar de ander willen uitstoten. Er kan een patstelling ontstaan indien beide aandeelhouders een vordering op grond van art. 2: 336 lid 1 BW indienen (de een in conventie, de ander in reconventie) en beiden door hun gedragingen het belang van de vennootschap zodanig hebben geschaad, dat het voortduren van hun aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld: de rechter zal de vorderingen over en weer dienen af te wijzen. Om deze reden wordt in 1989 eveneens een voorziening toegevoegd aan (inmiddels) art. 2: 356 BW, te weten de tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer (art. 2: 356 sub e BW). De minister licht deze uitbreiding kernachtig toe: ‘Voorgesteld wordt in het enquêterecht als additionele voorziening de mogelijkheid van tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer op te nemen. Vaak kan in een enquêteprocedure een oplossing alleen worden gevonden als partijen vrijwillig meewerken aan een (tijdelijke) overdracht van aandelen. Lukt dat niet, dan resteert doorgaans slechts het uiterste middel van de ontbinding van de vennootschap. Het enquêterecht kan aanzienlijk worden verbeterd door het opnemen als voorziening van de mogelijkheid van tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer. Deze voorziening is, evenmin als de andere voorzieningen van artikel 356 boek 2 B.W. nader uitgewerkt. De ondernemingskamer kan zo nodig onderdelen van de geschillenregeling van overeenkomstige toepassing verklaren.’7 In het vervolg van de toelichting wordt het probleem weergegeven dat de minister voor ogen staat met de onderhavige voorziening: ‘Deze voorziening zal vooral een oplossing kunnen bieden in gevallen waarin uit de enquête blijkt dat het wanbeheer voortvloeit uit een patstelling van gelijke groepen van aandeelhouders. De geschillenregeling zal dan niet altijd toepassing kunnen vinden. Beide (groepen) aandeelhouders zullen dan immers tegen elkaar een vordering tot overdracht van aandelen kunnen instellen. Door de tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer zal een onafhankelijke derde in de algemene vergadering van aandeelhouders een doorslaggevende stem krijgen, waardoor een dergelijke patstelling wordt doorbroken en de vennootschap weer normaal kan functioneren.’8