Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/1.2
1.2 Probleemstelling
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS453231:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Meijers 1948, p. 140-141.
Een stelregel toegeschreven aan Ockham, maar niet letterlijk in zijn geschriften terug te vinden, zie C. Panaccio, “William of Ockham”, in: E. Craig (red.), Routledge Encyclopedia of Philosophy, London: Routledge, online geraadpleegd op 12 november 2014 via http://www.rep.routledge.com/article/B084SECT2, 2; P.V. Spade & C. Panaccio, “William of Ockham”, in: E.N. Zalta (red.), The Stanford Encyclopedia of Philosophy, online, laatst bijgewerkt op 21 september 2011, http://plato.stanford.edu/archives/fall2011/entries/ockham/, 4.1.
Uiteraard gaat het mij daarbij niet om de naam waaronder ik dit beginsel bespreek (zie paragraaf 1.3.2), maar om het beginsel zelf, onder welke naam dan ook beschreven.
Bijvoorbeeld Bouvier-Bangillon 1909; Denizot 2008; Gary 1931; Grädler 2012; Wolf 1965.
Wolf 1965.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 74-75; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 16; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 59, 307.
Zie bijvoorbeeld Van Hemel 1998 en de eerdergenoemde literatuur over de onderneming: Raaijmakers 2002a, par. 6.5, 8.1, 9; Pitlo/Raaijmakers 2006, par. 1.4, 1.6; de stemuitslagen in het verslag van het congres “Eyes on Insolvency” 18 april 2013, Kentie & Kloet 2013; Tollenaar 2013, p. 14-16. Ook in het verleden zijn studies verschenen over de onderneming als rechtsobject: Gerbrandy 1966; Molenaar 1966; Molenaar 1973; Van Mourik 1970; Van Roosmalen 1966; Russel 1918. Zie voorts Raaijmakers 2002b; Verstappen 2002. Voorts kan uit het onderzoek van Van Hoof (2015) worden geput; dat stelt niet het uniciteitsbeginsel centraal, maar behandelt wel aanverwante onderwerpen en daarbij en passant het uniciteitsbeginsel.
De Ruiter 1963.
3. De hoofdvraag die ik in dit proefschrift beantwoord, is: wat is de betekenis van het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht? Deze vraag is bewust vaag gehouden, zodat zij de volgende deelvragen kan omvatten: Wat is het uniciteitsbeginsel? Welke functie heeft het uniciteitsbeginsel?
Wordt het uniciteitsbeginsel in andere rechtsstelsels gehanteerd? Bestaan er uitzonderingen op het beginsel? Zo ja, hoe worden deze verklaard? Wat zijn de rechtsgevolgen van het beginsel? Met de vorige vraag samenhangend: wat zijn de voor- en nadelen van het (strikt) vasthouden aan het uniciteitsbeginsel? Is het wenselijk het uniciteitsbeginsel (strikt) toe te (blijven) passen in het Nederlandse recht?
Bij mogelijke rechtsgevolgen en voor- en nadelen kan gedacht worden aan het volgende.1 Wanneer het mogelijk zou zijn één recht op meerdere objecten te hebben, welke leveringsformaliteiten zouden dan gepaard gaan met overdracht van een dergelijk recht? En wat zouden de consequenties zijn voor beschikkingsbevoegdheid over, de overdraagbaarheid van en het zaaksgevolg met betrekking tot de afzonderlijke objecten die onder dat recht vallen; hoe worden goederen aan dat recht onttrokken of toegevoegd en wat zouden de consequenties daarvan zijn?
4. Met de beantwoording van de hierboven genoemde hoofdvraag en deelvragen beoog ik inzicht te verschaffen in het uniciteitsbeginsel en de gevolgen die verbonden zijn aan het al dan niet hanteren van dit beginsel. Deze kennis kan vervolgens benut worden in – bijvoorbeeld – de discussie over de onderneming als rechtsobject. Op die manier levert het beantwoorden van deze vragen mogelijk een bijdrage aan de verbetering van het Nederlandse recht. Daarnaast biedt dit onderzoek voor de rechtspraktijk een verduidelijking van het uniciteitsbeginsel en de algemeenheid van goederen.
Om inzicht te krijgen in de werking en functie van het uniciteitsbeginsel wordt het in dit boek regelmatig afgezet tegen leerstukken waarmee het raakvlakken heeft, zoals het bepaaldheidsvereiste, het specialiteitsbeginsel en ondeelbaarheid van pand en hypotheek. Doordat mogelijke uitzonderingen op het beginsel worden onderzocht, komen op verschillende plaatsen mogelijke oplossingen aan bod voor praktische en theoretische vraagstukken die zich voor kunnen doen bij een samenhang van meerdere rechtsobjecten in het goederenrecht.
Het uniciteitsbeginsel is geen ‘normatief’ beginsel in die zin dat het een maatstaf voor menselijk handelen geeft, maar een beginsel dat inwerkt op de ‘vormgeving’ of ‘structuur’ van een goederenrechtelijk recht. Wanneer ik de vraag stel naar voor- en nadelen of wenselijkheid van toepassing van het beginsel, doel ik daarom op de wenselijkheid van het op een bepaalde wijze vormgeven van het goederenrecht. In het geval van het uniciteitsbeginsel gaat het om de vraag naar de wenselijkheid van het vormgeven van een recht als één recht of meer rechten. Ik stel bijvoorbeeld niet de vraag aan de orde of het wenselijk is dat een schuldenaar zijn hele onderneming bezwaart met een zekerheidsrecht ten behoeve van de schuldeiser, maar constateer dat deze mogelijkheid naar Nederlands en Duits recht enerzijds en naar Frans recht anderzijds op verschillende manieren is vormgegeven en onderzoek welke vormgeving het meest wenselijk is. Naar mijn mening is het daarbij van belang dat het recht niet onnodig ingewikkeld dient te zijn. Gegeven de wens van het bereiken van een bepaald resultaat, moeten er niet onnodig veel theoretische denkstappen of praktische hindernissen opgeworpen worden om dat resultaat te bereiken. Zoals “Ockham’s razor” stelt dat je de (veronderstelde) entiteiten niet onnodig moet verveelvoudigen,2 dient ook in het recht gestreefd te worden naar eenvoud.
5. Tot dusver is het uniciteitsbeginsel nog niet op deze wijze in de Nederlandse literatuur belicht.3 In de Duitse en Franse rechtsliteratuur is meer aandacht besteed aan het onderwerp.4 Met name Wolf heeft voor het Duitse recht het idee van uniciteit aan een kritische analyse onderworpen.5 Hieruit kan geput worden voor meer inzicht in het uniciteitsbeginsel.
Er is eigenlijk niet veel literatuur van Nederlandse bodem verschenen over dit onderwerp. De heersende leer in de Nederlandse rechtsliteratuur is dat de algemeenheid van goederen geen rechtsobject is en dat goederenrechtelijke rechten alleen op afzonderlijke goederen kunnen rusten.6 In zijn algemeenheid staat dit ook niet ter discussie. Slechts in het kader van de onderneming wordt hierover, zoals gezegd, kritisch geschreven. Voor zover de algemeenheid van goederen (en daarmee – zij het soms impliciet – het uniciteitsbeginsel) kritisch wordt besproken, is dat vooral verspreid over diverse onderwerpen.7
Een uitzondering hierop vormt het in 1963 verschenen proefschrift van De Ruiter “Beschouwingen over de algemeenheid van goederen in het Ontwerp-Burgerlijk Wetboek”.8 Hierin onderwierp De Ruiter de algemeenheid van goederen aan een analyse. Deze analyse staat, zoals uit de titel van het boek al blijkt, vooral in het teken van het ontwerp van het BW van 1992. De bredere vraag naar de rol en functie van het uniciteitsbeginsel komt niet aan bod. Niettemin is het proefschrift van De Ruiter belangrijk, omdat de regeling van de algemeenheid van goederen in het Ontwerp-Burgerlijk Wetboek daarin is gewogen en te licht werd bevonden.