Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/10.2.4
10.2.4 De vloeiende overgang tussen eenzijdige rechtshandelingen en eenzijdige overeenkomsten
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS373234:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Rensen 2-III* 2012/310; L. Hardenberg, ‘Het onderkennen en aanpassen van oude stichtingen’, WPNR 6413 (2000), p. 578. Zie ook Kamerstukken II 1953-1954, 3643, nr. 3, p. 8; Handelingen II 1955-1956, 25 oktober 1955, p. 2099 en 2109.
Asser/Rensen 2-III* 2012/315; Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:285 BW, aant. 5, C.H.C. Overes; Pitlo/Löwensteyn 1994, p. 330.
Asser/Maeijer 2-III 2000/49 e.v.; Cauffman 2005, p. 171.
HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:600, JOR 2015/184 m.nt. Bergervoet (Amstelpark Tennis Promotions); Van Emden en Van Emden 2009, p. 3.
Mijnssen en Boll 1984, p. 39; Verdaas 2008, p. 296; Hof ’s-Gravenhage 20 april 1993, NJ 1995/542 (Verreussel/CLBN), r.o. 3; Van Emden en Van Emden 2009, p. 8 (met enige aarzeling). Uit Rb. Arnhem 20 februari 2004, ECLI:NL:RBARN:AO9374 is afgeleid dat de bank verbonden is jegens de begunstigde op grond van een eenzijdige rechtshandeling, omdat de rechtbank de verlenging van de bankgarantie kwalificeerde als een eenzijdige rechtshandeling.
Mijnssen en Boll 1984, p. 39.
419. Een laatste argument voor het aanvaarden van de eenzijdige rechtshandeling als bron van verbintenissen is de betrekkelijkheid van het onderscheid tussen eenzijdige overeenkomsten en eenzijdige rechtshandelingen. Hierboven refereerde ik al aan de schenking, het derdenbeding, het omzetten van een natuurlijke verbintenis in een afdwingbare en de kwijtschelding (nr. 416). Dit zijn overeenkomsten waarbij de ene partij de andere partij bevoordeelt zonder in ruil daarvoor een direct voordeel te verkrijgen. De overeenkomsten komen tot stand door aanbod en aanvaarding, maar de drempel is laag: het aanbod geldt als aanvaard, als het niet onverwijld wordt afgewezen.
420. Met twee figuren wil ik de nauwe verwantschap tussen eenzijdige rechtshandeling en eenzijdige overeenkomst nader illustreren. Ten eerste de oprichting van een stichting. Dat is een eenzijdige rechtshandeling.1 De oprichting verplicht niet tot kapitaalinbreng, maar vaak zullen zij samengaan omdat een stichting doorgaans zijn doelen niet kan verwezenlijken zonder vermogen. De oprichter gaat de verplichting tot kapitaalinbreng aan door, zo is de heersende leer, een schenkingsovereenkomst met de stichting te sluiten.2 Verdedigd is ook dat de oprichter eenzijdig een sui generis rechtsverhouding schept tussen hemzelf en de stichting, waar de verplichting tot kapitaalinbreng uit voortvloeit.3 Praktischmaakt het onderscheid geen verschil, zeker niet in het geval de oprichter ook bestuurder van de stichting wordt. Het aanbod tot toekenning van vermogen wordt gedaan door de oprichter, en wordt aanvaard door de oprichter in zijn rol van vertegenwoordiger van de stichting. Aangezien het een schenkingsovereenkomst is, geldt een lage drempel voor aanvaarding. Welke betekenis kan dan nog gehecht worden aan de aanvaarding? Rensen schrijft dat kwalificatie als schenkingsovereenkomst ‘meer doelmatig’ is dan kwalificatie als eenzijdige rechtshandeling, maar geeft niet aan waarom.
De tweede figuur die ik in dit verband wil aanhalen is de bankgarantie. Het karakter van de bankgarantie is dat de bank is gehouden om als eigen verplichting te betalen waartoe zij zich blijkens de tekst van de garantie jegens de begunstigde heeft verplicht, onafhankelijk van de onderliggende rechtsverhouding tussen opdrachtgever en begunstigde.4 De begunstigde is gerechtigd om binnen de in de tekst van de garantieverklaring omschreven voorwaarden op eerste verzoek uitbetaling van de bank te verlangen. Volgens de heersende leer is de verhouding tussen de bank en de begunstigde contractueel.5 De bank doet een onherroepelijk aanbod6 tot betaling aan de begunstigde, die dat stilzwijgend kan aanvaarden. Mijns inziens zou het weinig verschil maken als de garantie van de bank gezien zou worden als een eenzijdig verplichtende rechtshandeling, vergelijkbaar met de 403-verklaring.
421. Eenzijdige overeenkomsten met een lage drempel voor aanvaarding scheppen probleemloos verbintenissen. Nu tussen eenzijdige rechtshandelingen en eenzijdige overeenkomsten moeilijk een grens te trekken is, is er mijns inziens geen reden om al te principiële bezwaren, of zelfs onoverkomelijke principiële bezwaren te zien tegen erkenning van de eenzijdige rechtshandeling als bron van verbintenissen.7 Als we kijken naar de praktische uitwerking van door de wetgever gekozen constructies, is eenzijdige toekenning van vermogensvoordeel niet bezwaarlijk, zolang de begunstigde maar op enige manier invloed kan uitoefenen op het verkrijgen van vorderingsrechten. De voorbeelden van eenzijdige rechtshandelingen die een verbintenis kunnen scheppen, komen tegemoet aan die wens om de autonomie van de bevoordeelde te beschermen.